DAAD Architecten

Duurzame landbouwschuren

Het platteland ondergaat ingrijpende wijzigingen. Waar eeuwenlange traditie borg stond voor een onveranderlijk beeld met regionale verschillen leiden noodzakelijke schaalvergroting, herverkavelingoperaties, veeziektes en nieuwe technologieën tot een plattelandsdynamiek die zich qua impact kan meten met veranderingsprocessen in en rond de stad. Met deze ontwikkeling komen niet alleen de relaties tussen boerderij, erf en landschap onder druk te staan, maar dreigt ook de diversiteit uit het Nederlands agrarisch landschap te verdwijnen. Behalve gebrek aan oog voor bebouwings- en omgevingskwaliteit kan de agrarische sector als geheel het verwijt gemaakt worden de discussie rond duurzaamheid, die in woning- en utiliteitsbouw al grotendeels is uitgekristalliseerd, tot op heden nauwelijks te hebben willen voeren.
Het onderzoek is niet gericht op het onzichtbaar maken van de bebouwing, noch op het beschrijven van de ondergrens van de kwaliteit ervan. Ook het terugvinden van beelden die in het verleden zijn ontstaan vanuit de organisatie van het toenmalige boerenbedrijf, lokale materialen of bouwtraditie lijkt ons voor de toekomst van de dynamische bedrijfstak weinig relevant. De studie is vertrokken vanuit het idee dat het eigentijdse agrarische bedrijf samen met duurzame architectuur en landschap genoeg potentie hebben om een nieuwe regionaliteit te bewerkstelligen.
Onze totale ervaringsruimte is onder te verdelen in een drietal gebieden: een intieme zone van handelen, een wijdere zone van lopen en een uitgestrekte zone van zien. De ervaringsruimte is dus een samengestelde ruimte, een superpositie van steeds groter wordende ruimtes. Deze drievoudigheid van de ervaringsruimte heeft haar architectonische consequenties: zij vereist een drievoudige afbakening van de ruimte; de cella, hethofen het domein.
Vertaald naar een agrarisch landschap zijn de cella, het hof en het domein: de boerderij, het erf en het open land. In de ruimtelijke opbouw van het landschap is de verhouding tussen deze drie bepalend. Lange tijd is deze verhouding harmonieus en constant geweest. De agrarische bedrijvigheid in Nederland, gerelateerd aan bodemgesteldheid, kon zich eeuwenlang prima redden met beproefde middelen en bebouwing. Na-oorlogse schaalvergroting en ruilverkavelingen leverden de eerste grote veranderingen in het landschap. Met de invoering van kunstmest en nieuwe technologieën in landbouw en veeteelt zijn de bedrijven footloose geworden en ontstaan nieuwe gebruikspatronen. De ontwikkelingen zijn niet alleen onontkoombaar en onomkeerbaar, de potentie van hoge dynamiek in het agrarisch bedrijf is wellicht de redding ervan en moet derhalve als positieve kracht worden gezien. De vraag is eerder hoe we opnieuw een evenwicht kunnen vinden tussen de cella, het hof en het domein.
Hij houdt van het geometrische landschap, van de rijen populieren in streng gelid met vijftien passen tussen elke stam. Wat recht is, is mooi. Een eik in het veld zou hier passen als een cirkel in een werk van Mondriaan. De kleiboeren zijn schepper naast God, maar omdat ze iets minder zeker van hun zaak zijn, leggen ze slingertûnen aan met niervormige vijvers en ovale bloemperken – als tegenwicht voor de strakke akkers.
(De Graanrepubliek, p.16, Frank Westerman 1999)

Projectgegevens
Opdrachtgever: Informatiepunt Duurzaam Bouwen
Jaar: 2002
Project: Studie