DAAD Architecten

Faculteit Theologie RUG te Groningen

Zoals beschreven in de ‘Bouwhistorische aantekening’ (RGD, juni 1989) is het complex in de loop der jaren vele malen aangepast, zijn er delen bijgebouwd, gesloopt en (deels met afkomend materiaal) vervangen. Soms is hierbij gekozen voor een eigentijdse vormentaal, in andere gevallen voor aansluiting op voorgaande periodes.<br>De complexiteit van het geheel was in 1917 al dermate groot dat de toenmalig Adjunct-Rijksbouwmeester W.C. Kam schreef:
‘Door het ontbreken van een geheel en van den grondvorm van het oorspronkelijke gebouw zijn uit een architectonisch oogpunt alleen onderdelen uit verschillende tijdperken van belang. Daarmee moest bij de restauratie rekening worden gehouden, omdat van het terugbrengen in den oorspronkelijken toestand geen sprake kon zijn.’
In de lijn van dit citaat is ook nu naar het complex gekeken. Het voorliggende plan gaat niet uit van een zoektocht naar ‘de’ oorspronkelijke toestand, maar probeert de onderdelen, ontstaan in verschillende perioden, elk hun eigen verhaal te laten vertellen. Dit heeft niet alleen consequenties voor kleur- en materiaalgebruik, maar ook voor installatietechniek, bouwfysica en verlichting. In plaats van een systeem dat voor het gehele complex zou kunnen gelden is gezocht naar specifieke oplossingen per gebouwdeel of zelfs per ruimte.
Om te ontdekken welke de kwaliteiten van de verschillende ruimten zijn hebben we deze afzonderlijk geanalyseerd op ruimtelijke kwaliteit, typische te behouden elementen, kleur en materiaal, vloeroppervlak, hoogte, lichtinval, geluid, verbinding met andere ruimten, relatie met buiten en ontsluiting. Vervolgens zijn passend bij de ruimte inrichtingsvoorstellen getekend. Voor het middeleeuwse deel en de bouwdelen van na 1754 (zittingszaal, raadskamer, etc.) betekent dit dat voornamelijk kantoor- en onderwijsfuncties zijn ondergebracht in de bestaande ruimten waarbij de sfeer van de verschillende ruimten het uitgangspunt vormt. De gedeelten van het complex van na 1913 van de hand van W.C. Metzelaar krijgen ook een onderwijs- en kantoorfunctie, maar kunnen gezien de aanwezigheid van gipsplafonds, grote vlakken enkelglas, stucwerk in slechte staat, veel schilderwerk op deuren en kozijnen, relatief gemakkelijk technisch worden opgewaardeerd (dubbelglas, luchtbehandeling, algemene verlichting).
Het archiefgebouw krijgt met de bibliotheekfunctie een geheel eigen gezicht binnen het complex. Het samenstel van stalen kasten en vloeren wordt als een groot boekenmeubel in de ruimte opgevat. Op strategische plekken worden delen van de vloer verwijderd zodat vides ontstaan en er worden nieuwe daglichtopeningen in de zuidgevel gemaakt.
De nieuwbouw op het bestaande archiefgebouw vult het gat tussen de vleugel van 1913 en het Academiegebouw. Hier zijn kleine (1-persoons) kantoren en een grote onderwijsruimte ondergebracht. De nieuwe kantoren en de onderwijsruimte richten zich op de tuin. Met de nieuwe openingen in de zuidgevel van het archiefgebouw is dit de grootste verandering van het aanzicht van het complex. Met het amorfe volume, dat zal worden uitgevoerd in koper, worden verschillende onderdelen met elkaar verbonden. Vormgeving, materiaalgebruik en kleurstelling zijn eenvoudig, sober en eigentijds.
De restauratie/nieuwbouw van 2001 is niet een poging het gebouw definitief te vervolmaken, noch heeft het de ambitie de oorspronkelijke toestand te hervinden, maar is de volgende transformatie, nodig om het complex geschikt te maken voor de huisvesting van nieuwe functies, zoals door de geschiedenis al zo vele malen gebeurd is.

Projectgegevens
Opdrachtgever: Rijksgebouwendienst
Oplevering: 2002
BVO: 3.800 m2