2011 > 2009
> 2011
Innovatieve varkensstal, Utrecht
> 2010
Atelier Fryslan
> 2010
Topdorpen
> 2009
Milieufederatie Drenthe, Assen
> 2009
Silo Hankate, Hellendoorn
Het Eiland van Schalkwijk
Randstedelijk boeren
De familie Uijttewaal woont al sinds 1420 op het Eiland van Schalkwijk.
Het ontwerp voor de nieuwe stal is in nauwe samenspraak met de boer tot stand gekomen.
Deze varkenshouderij is gericht op dierenwelzijn in combinatie met goede opbrengsten en op de diversificatie van de inkomstenstromen met bijvoorbeeld een bezoekerscentrum en kleinschalige, recreatieve ontwikkeling met overnachtingsmogelijkheid gekoppeld aan de Hollandse Waterlinie. Zo wordt het mogelijk op kleinere schaal te produceren. Op termijn wordt ook een rundveehouderij toegevoegd waarmee het grasland van de polder weer bestemming krijgt. Ook de opgewekte energie, gezuiverd water en nutriënten uit de biovergister en de toeristische en educatieve diensten zijn nieuwe producten die het bedrijf levert. Zo kan de agrarische sector in dichtbevolkte gebieden behouden blijven. Dit noemen we Randstedelijk boeren.
Randstedelijk boeren
De familie Uijttewaal woont al sinds 1420 op het Eiland van Schalkwijk.
Het ontwerp voor de nieuwe stal is in nauwe samenspraak met de boer tot stand gekomen.
Deze varkenshouderij is gericht op dierenwelzijn in combinatie met goede opbrengsten en op de diversificatie van de inkomstenstromen met bijvoorbeeld een bezoekerscentrum en kleinschalige, recreatieve ontwikkeling met overnachtingsmogelijkheid gekoppeld aan de Hollandse Waterlinie. Zo wordt het mogelijk op kleinere schaal te produceren. Op termijn wordt ook een rundveehouderij toegevoegd waarmee het grasland van de polder weer bestemming krijgt. Ook de opgewekte energie, gezuiverd water en nutriënten uit de biovergister en de toeristische en educatieve diensten zijn nieuwe producten die het bedrijf levert. Zo kan de agrarische sector in dichtbevolkte gebieden behouden blijven. Dit noemen we Randstedelijk boeren.
Het bedrijf gaat gebruik maken van producten uit de streek; snoeiafval, bermgras en stro als strooisel voor de varkens en voor de biovergister. Overtollige partijen van een nabijgelegen koekfabriek dienen als voer voor de varkens. In de streek wordt afzet gevonden voor het vlees van de Blokhovens varken bij slagers en restaurants.
Sterke randvoorwaarden als licht, ruimte, strooisel, de basisbehoeften van het dier, zijn leidend. De 1-ster eisen van het keurmerk van de dierenbescherming worden ruimschoots gehaald. De kracht van dit concept ligt vooral in de openheid en toegankelijkheid van het bedrijf. Daarnaast biedt de overmaat aan ruimte de mogelijkheid om verschillende vormen van varkenshouderij te verkennen.
Sterke randvoorwaarden als licht, ruimte, strooisel, de basisbehoeften van het dier, zijn leidend. De 1-ster eisen van het keurmerk van de dierenbescherming worden ruimschoots gehaald. De kracht van dit concept ligt vooral in de openheid en toegankelijkheid van het bedrijf. Daarnaast biedt de overmaat aan ruimte de mogelijkheid om verschillende vormen van varkenshouderij te verkennen.
Voor het nieuwe bedrijf is aansluiting gezocht bij de typologie van de polder. Verdichting langs het bebouwingslint zou een te grote massa in het kleinschalig karakter van de dijk betekenen, bovendien zou het zicht op het inundatieveld verdwijnen. Met het verwijderen van de bestaande stallen en de positie van de nieuwe stal in de polder wordt het zicht weer vrij gemaakt.
De stal is niet verstopt, niet ingepakt in bomen, maar ligt zichtbaar en trots in het landschap, gekoppeld aan recreatieve routes. De polder heeft een grote maat maar ook veel detail en kleinschaligheid. Om dit in het ontwerp te bereiken is de traditionele kapvorm voor stallen gedraaid en zijn de overspanningen relatief klein gehouden. Hierdoor kan laag gebouwd worden. De gebouwen zijn maximaal 7 meter hoog.
De stallen zijn gelegen rondom een binnenplaats, hier spelen zich de meeste bedrijfshandelingen af. Beplanting op de binnenplaats heeft een behoorlijke maat en zorgt voor schaduw en een prettige atmosfeer op de ook voor het publiek toegankelijke binnenplaats.
De stal is niet verstopt, niet ingepakt in bomen, maar ligt zichtbaar en trots in het landschap, gekoppeld aan recreatieve routes. De polder heeft een grote maat maar ook veel detail en kleinschaligheid. Om dit in het ontwerp te bereiken is de traditionele kapvorm voor stallen gedraaid en zijn de overspanningen relatief klein gehouden. Hierdoor kan laag gebouwd worden. De gebouwen zijn maximaal 7 meter hoog.
De stallen zijn gelegen rondom een binnenplaats, hier spelen zich de meeste bedrijfshandelingen af. Beplanting op de binnenplaats heeft een behoorlijke maat en zorgt voor schaduw en een prettige atmosfeer op de ook voor het publiek toegankelijke binnenplaats.
De innovatie in deze varkensstal is het open low-tech systeem dat altijd werkt en eenvoudig door de boer zelf te onderhouden is. De opzet van het ontwerp is zodanig dat deze eenvoudig in eigen beheer te realiseren is. Hierdoor kan er goedkoper gebouwd worden.
Het is een ontwerp dat jaren vooruit kan met de toekomstige toepassingen op allerlei gebied.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Steef Uijttewaal
Jaar: 2011
Project: prijsvraag
Het is een ontwerp dat jaren vooruit kan met de toekomstige toepassingen op allerlei gebied.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Steef Uijttewaal
Jaar: 2011
Project: prijsvraag
Advies bedrijventerreinen in Fryslân
Onlangs ronde DAAD in samenwerking met De Zwarte Hond een advies af in opdracht van Atelier Fryslân waarin de ruimtelijke kwaliteit van bedrijventerreinen in Fryslân onder de loep is genomen.
Dit advies is met drie adviezen van ander combinaties gebundeld in een rapport genaamd Werkend Landschap.
DAAD en De Zwarte Hond formuleerden voorafgaand aan het onderzoek en advies een aantal uitgangspunten. We begonnen met een bepaling van onze positie in het debat over bedrijventerreinen in het algemeen.
De enorme productie van nieuwe bedrijventerreinen in de laatste twee decennia heeft een rondreizend circus op gang gebracht van zich al maar verplaatsende bedrijven. In de onderlinge concurrentie tussen steden moeten allen mee in het aanbieden van telkens nieuwe vestigingsmogelijkheden. Met een desastreus effect op de kwaliteit van nieuwe- en oude terreinen en een enorm ruimtebeslag op het ommeland. Deze ongebreidelde groei is alleen mogelijk bij de gratie van voldoende ruimte.
Onlangs ronde DAAD in samenwerking met De Zwarte Hond een advies af in opdracht van Atelier Fryslân waarin de ruimtelijke kwaliteit van bedrijventerreinen in Fryslân onder de loep is genomen.
Dit advies is met drie adviezen van ander combinaties gebundeld in een rapport genaamd Werkend Landschap.
DAAD en De Zwarte Hond formuleerden voorafgaand aan het onderzoek en advies een aantal uitgangspunten. We begonnen met een bepaling van onze positie in het debat over bedrijventerreinen in het algemeen.
De enorme productie van nieuwe bedrijventerreinen in de laatste twee decennia heeft een rondreizend circus op gang gebracht van zich al maar verplaatsende bedrijven. In de onderlinge concurrentie tussen steden moeten allen mee in het aanbieden van telkens nieuwe vestigingsmogelijkheden. Met een desastreus effect op de kwaliteit van nieuwe- en oude terreinen en een enorm ruimtebeslag op het ommeland. Deze ongebreidelde groei is alleen mogelijk bij de gratie van voldoende ruimte.
In het Noorden is deze ruimte nog aanwezig, hoewel dit ook een relatieve afweging is. De groei van terreinen is misschien wel te begrijpen vanuit het economisch tij en gemeentepolitieke overwegingen, maar vanuit de ruimtelijke kwaliteit van het landschap, de overgangen tussen stad en land en duurzaam ruimtegebruik zou deze ontwikkeling zo snel mogelijk een halt toegeroepen moeten worden.
Op plekken waar deze ruimte niet meer voorhanden is vindt al geruime tijd een (noodgedwongen) herbezinning plaats op dit continu aanbod van locaties. Nieuwe strategieën moeten hier ingezet worden om aan nieuwe vragen te kunnen voldoen. De herbezinning mag dan noodgedwongen zijn maar bij de meeste betrokkenen wordt al vrij snel de omslag naar enthousiasme over de nieuw ingeslagen weg gemaakt.
Op plekken waar deze ruimte niet meer voorhanden is vindt al geruime tijd een (noodgedwongen) herbezinning plaats op dit continu aanbod van locaties. Nieuwe strategieën moeten hier ingezet worden om aan nieuwe vragen te kunnen voldoen. De herbezinning mag dan noodgedwongen zijn maar bij de meeste betrokkenen wordt al vrij snel de omslag naar enthousiasme over de nieuw ingeslagen weg gemaakt.
We focussen in dit advies op de levensduur en kwaliteit van bestaande terreinen. Hoe kunnen deze terreinen vitaal, vol van leven zijn en zich zelf blijven vernieuwen?
Daarbij hebben we een aantal vragen gesteld en uitgangspunten geformuleerd:
• Is door herprogrammering, transformatie, meervoudig ruimtegebruik een ontwikkeling denkbaar waarbij de vraag naar kavels binnen de bestaande voorraad opgelost kan worden?
• Kan een bedrijventerrein weer onderdeel worden van de stad en eventueel het landschap, in plaats van een ‘no go area’ te zijn?
• Wat zijn mogelijke duurzame, robuuste stedenbouwkundige en architectonische typologieën voor bedrijventerreinen om zo langdurig aan de ruimtevragen uit de markt een plek te kunnen geven?
• Schoonheid volgt uit vitaliteit. Meer dan gedragsregels, ver- en geboden die de esthetische kwaliteit moeten waarborgen zijn we geïnteresseerd in een zich ontwikkelende, transformerende en vernieuwende omgeving die een langdurige en daarmee duurzame omgeving biedt aan bedrijven inwoners en gebruikers. Hierin ligt de schoonheid.
Daarbij hebben we een aantal vragen gesteld en uitgangspunten geformuleerd:
• Is door herprogrammering, transformatie, meervoudig ruimtegebruik een ontwikkeling denkbaar waarbij de vraag naar kavels binnen de bestaande voorraad opgelost kan worden?
• Kan een bedrijventerrein weer onderdeel worden van de stad en eventueel het landschap, in plaats van een ‘no go area’ te zijn?
• Wat zijn mogelijke duurzame, robuuste stedenbouwkundige en architectonische typologieën voor bedrijventerreinen om zo langdurig aan de ruimtevragen uit de markt een plek te kunnen geven?
• Schoonheid volgt uit vitaliteit. Meer dan gedragsregels, ver- en geboden die de esthetische kwaliteit moeten waarborgen zijn we geïnteresseerd in een zich ontwikkelende, transformerende en vernieuwende omgeving die een langdurige en daarmee duurzame omgeving biedt aan bedrijven inwoners en gebruikers. Hierin ligt de schoonheid.
Ons advies heeft betrekking op de gemeente Smallingerland; Drachten om preciezer te zijn. De mogelijke ontwikkeling van industrieterrein De Haven het vormt het zwaartepunt van het advies maar is wel nadrukkelijk binnen de dynamiek van Drachten en omgeving geplaatst.
Rapport: 1022PDF_WerkendLandschap.pdf
Projectgegevens
Opdrachtgever: Atelier Fryslân
Jaar: 2010
Project: Advies bedrijventerreinen
Rapport: 1022PDF_WerkendLandschap.pdf
Projectgegevens
Opdrachtgever: Atelier Fryslân
Jaar: 2010
Project: Advies bedrijventerreinen
DAAD mentor in de tweede ronde onderzoekslab ‘Topdorpen’ Nederland wordt anders
Op 05 maart 2010 vond op het bureau rijksbouwmeester de presentatie plaats van de eerste ronde onderzoekslabs. Doel van deze onderzoekslabs is te zorgen dat ontwerpers die (deels) buiten het arbeidsproces zijn komen te staan hun talenten blijven inzetten en ontwikkelen. Daarnaast bewerkstelligen de labs dat kwesties die binnenkort gaan spelen in de ruimtelijke ordening nu al goed worden uitgezocht en doordacht.
Het Onderzoekslab wordt gecoördineerd door het College van Rijksadviseurs (CRA).
In de tweede ronde van het Onderzoekslab zullen er zeven nieuwe labs van start gaan en is er plek voor 85 deelnemers. In het lab Topdorpen zal ontwerpend onderzoek gaan doen naar krimp op het platteland. Aanmelden voor de nieuwe serie labs kan op http://www.nederlandwordtanders.nl
Op 05 maart 2010 vond op het bureau rijksbouwmeester de presentatie plaats van de eerste ronde onderzoekslabs. Doel van deze onderzoekslabs is te zorgen dat ontwerpers die (deels) buiten het arbeidsproces zijn komen te staan hun talenten blijven inzetten en ontwikkelen. Daarnaast bewerkstelligen de labs dat kwesties die binnenkort gaan spelen in de ruimtelijke ordening nu al goed worden uitgezocht en doordacht.
Het Onderzoekslab wordt gecoördineerd door het College van Rijksadviseurs (CRA).
In de tweede ronde van het Onderzoekslab zullen er zeven nieuwe labs van start gaan en is er plek voor 85 deelnemers. In het lab Topdorpen zal ontwerpend onderzoek gaan doen naar krimp op het platteland. Aanmelden voor de nieuwe serie labs kan op http://www.nederlandwordtanders.nl
Generieke opgave
Het verschijnsel krimp treedt pregnant naar voren in een aantal regio’s van Nederland, waaronder Zuidoost Limburg, Zeeland en Oost Groningen. Onder het motto ‘geen krachtwijken zonder topdorpen’ zoekt het rijk naast het vitaliseren van steden (in het bijzonder via de 40-wijkenaanpak) naar een passend antwoord op de ontwaarding van de woningvoorraad in de krimpregio’s en naar strategieën om het platteland te vitaliseren. Wat dit laatste betreft is het idee van de topdorpen ontstaan: sterke kernen op het platteland waar krachten, oplossingen en ideeën van onderop als katalysatoren dienen voor de vitalisering van regio’s .
Het Lab Topdorpen analyseert de gevolgen van krimp. Onderzocht wordt of daar waar krimp optreedt ontwerpstrategieën ingezet kunnen worden om de nadelige gevolgen te keren/tot een minimum te beperken. Is het vitaliseren van het platteland middels topdorpen een mogelijk antwoord op de krimpproblematiek?
Het verschijnsel krimp treedt pregnant naar voren in een aantal regio’s van Nederland, waaronder Zuidoost Limburg, Zeeland en Oost Groningen. Onder het motto ‘geen krachtwijken zonder topdorpen’ zoekt het rijk naast het vitaliseren van steden (in het bijzonder via de 40-wijkenaanpak) naar een passend antwoord op de ontwaarding van de woningvoorraad in de krimpregio’s en naar strategieën om het platteland te vitaliseren. Wat dit laatste betreft is het idee van de topdorpen ontstaan: sterke kernen op het platteland waar krachten, oplossingen en ideeën van onderop als katalysatoren dienen voor de vitalisering van regio’s .
Het Lab Topdorpen analyseert de gevolgen van krimp. Onderzocht wordt of daar waar krimp optreedt ontwerpstrategieën ingezet kunnen worden om de nadelige gevolgen te keren/tot een minimum te beperken. Is het vitaliseren van het platteland middels topdorpen een mogelijk antwoord op de krimpproblematiek?
De Regio Noordoost Groningen dient als casus.
Vragen aan het onderzoekslab:
• Wat kan een topdorp zijn? Is dit een bestaand en/of nieuw dorp?
• Waar ligt dit topdorp of liggen deze topdorpen in de regio Noordoost Groningen?
• Ontwerp de groei van zo’n topdorp met als uitgangspunt een daling van 500 naar 250 huishoudens in vijf jaar.
• Welke effecten kan/kunnen zo’n topdorp of topdorpen hebben op hoger schaalniveau, in casu het omringende platteland en de nabijgelegen grote(re) steden?
• Wat is de toegevoegde waarde van een topdorp in vergelijking met alternatieve krimpstrategieën?
• Wat kan de rol van het ontwerp en de ontwerper zijn bij het, via topdorpen, in topconditie brengen van het platteland?
Samenstelling onderzoeksteam
Multidisciplinair: architectuur, stedenbouw, landschapsarchitectuur, planologie, economische geografie en woningbouw/volkshuisvesting.
Vragen aan het onderzoekslab:
• Wat kan een topdorp zijn? Is dit een bestaand en/of nieuw dorp?
• Waar ligt dit topdorp of liggen deze topdorpen in de regio Noordoost Groningen?
• Ontwerp de groei van zo’n topdorp met als uitgangspunt een daling van 500 naar 250 huishoudens in vijf jaar.
• Welke effecten kan/kunnen zo’n topdorp of topdorpen hebben op hoger schaalniveau, in casu het omringende platteland en de nabijgelegen grote(re) steden?
• Wat is de toegevoegde waarde van een topdorp in vergelijking met alternatieve krimpstrategieën?
• Wat kan de rol van het ontwerp en de ontwerper zijn bij het, via topdorpen, in topconditie brengen van het platteland?
Samenstelling onderzoeksteam
Multidisciplinair: architectuur, stedenbouw, landschapsarchitectuur, planologie, economische geografie en woningbouw/volkshuisvesting.
Samenwerking
Dit onderzoekslab zal in samenwerking met het ministerie van LNV, de BNA en AEDES (organisatoren van de vorig jaar gehouden krimpateliers) georganiseerd worden. Tevens zal Parkstad Limburg (als sparring partner en vergelijking) betrokken worden bij dit lab.
Uitkomst
(Ontwerpend) onderzoeksprogramma voor het rijk om topdorpen, in wisselwerking met de (grote) stedenaanpak, te kunnen operationaliseren.
Mentor
DAAD Architecten
Standplaats
DAAD Architecten, Paltz 21 te Beilen.
Dit onderzoekslab zal in samenwerking met het ministerie van LNV, de BNA en AEDES (organisatoren van de vorig jaar gehouden krimpateliers) georganiseerd worden. Tevens zal Parkstad Limburg (als sparring partner en vergelijking) betrokken worden bij dit lab.
Uitkomst
(Ontwerpend) onderzoeksprogramma voor het rijk om topdorpen, in wisselwerking met de (grote) stedenaanpak, te kunnen operationaliseren.
Mentor
DAAD Architecten
Standplaats
DAAD Architecten, Paltz 21 te Beilen.
Duurzame verbouw en renovatie Milieufederatie te Assen
0744PDF_Milieufederatie.pdf
De voormalige officierswoning uit 1895 is gelegen aan het Hertenkamp in Assen. Dit woonhuis is enige jaren in gebruik als kantoorruimte van de Milieufederatie.
Om het pand goed te kunnen blijven gebruiken zijn bij de verbouw een aantal programmatische en klimatologische vraagstukken opgelost. Een grondige renovatie van interieur en exterieur heeft het pand weer tot een frisse een representatieve kantoorruimte gemaakt. Hierbij hebben we intensief samengewerkt met Monumentenwacht.
0744PDF_Milieufederatie.pdf
De voormalige officierswoning uit 1895 is gelegen aan het Hertenkamp in Assen. Dit woonhuis is enige jaren in gebruik als kantoorruimte van de Milieufederatie.
Om het pand goed te kunnen blijven gebruiken zijn bij de verbouw een aantal programmatische en klimatologische vraagstukken opgelost. Een grondige renovatie van interieur en exterieur heeft het pand weer tot een frisse een representatieve kantoorruimte gemaakt. Hierbij hebben we intensief samengewerkt met Monumentenwacht.
Een deel van het kantoorprogramma is gehuisvest in het naastgelegen pand. De ontsluiting hiervan ging buiten langs. Dit leverde een onwenselijke situatie op. In het nieuwe voorstel zijn de veranda’s omgebouwd tot geschakelde serres. Deze doen dienst als extra overlegplek maar maken het ook mogelijk om het andere bouwdeel te bereiken zonder dat men buiten langs moet.
Bij deze transformatie zijn nieuwe onderdelen ondergeschikt gemaakt aan de authentieke elementen. Door de nieuwe pui donkergrijs te maken komt het wit geschilderde sierlijke houtwerk beter uit.
De later gebouwde uitbouw is verbouwd tot vergaderruimte. Hier zijn de aanpassingen op een zichtbare wijze uitgevoerd. Dit vergroot de leesbaarheid van het gebouw.
Bij het kiezen van de kleuren aan de buitenzijde hebben we de traditionele lijn gehandhaafd. Binnen hebben we het kleurenpallet sober gehouden met een natuurlijk kleuren pallet. Historische elementen zijn geaccentueerd met een lichtgrijze kleur dat afsteekt tegen de witte wanden.
Bij deze transformatie zijn nieuwe onderdelen ondergeschikt gemaakt aan de authentieke elementen. Door de nieuwe pui donkergrijs te maken komt het wit geschilderde sierlijke houtwerk beter uit.
De later gebouwde uitbouw is verbouwd tot vergaderruimte. Hier zijn de aanpassingen op een zichtbare wijze uitgevoerd. Dit vergroot de leesbaarheid van het gebouw.
Bij het kiezen van de kleuren aan de buitenzijde hebben we de traditionele lijn gehandhaafd. Binnen hebben we het kleurenpallet sober gehouden met een natuurlijk kleuren pallet. Historische elementen zijn geaccentueerd met een lichtgrijze kleur dat afsteekt tegen de witte wanden.
Duurzaam
Bij het ontwerpen en bouwkundig uitwerken hebben we veel aandacht besteed aan de toepassing van duurzame materialen. Er is bijvoorbeeld houtwol als isolatiemateriaal toegepast en planken in plaats van multiplex. Ook hebben we optimaal gebruik gemaakt van daglicht.
Duurzaamheid is ook voor de opdrachtgever een belangrijke drijfveer. Hierdoor heeft deze verbouw en renovatie tot in detail een duurzaam karakter gekregen.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Milieufederatie Drenthe
Jaar: 2009
BVO: 284m2
Bij het ontwerpen en bouwkundig uitwerken hebben we veel aandacht besteed aan de toepassing van duurzame materialen. Er is bijvoorbeeld houtwol als isolatiemateriaal toegepast en planken in plaats van multiplex. Ook hebben we optimaal gebruik gemaakt van daglicht.
Duurzaamheid is ook voor de opdrachtgever een belangrijke drijfveer. Hierdoor heeft deze verbouw en renovatie tot in detail een duurzaam karakter gekregen.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Milieufederatie Drenthe
Jaar: 2009
BVO: 284m2
Silo Hankate te Hellendoorn
0822PDF_Silo Hankate.pdf
Het silocomplex van Hankate is een voormalig veevoeder verwerkingsbedrijf (Kappert) gelegen aan het kruispunt van de Ommerweg en het Overijsselsch kanaal.
De vraag of de gebouwen geschikt te maken zijn voor een nieuwe woonbestemming richt zich niet alleen op het behoud van karakteristieke elementen, maar ook de technische staat van de bestaande gebouwen en de kosten van mogelijke ingrepen.
Het totale complex laat de ontwikkeling in de tijd goed zien doordat de verschillende volumes nog steeds herkenbaar zijn in het geheel. In de gebouwen zijn de verschillende bouwwijzen te herkennen. Het pakhuis bestaat uit een metselwerkgevel met houten verdieping- en dakvloeren. Het geheel staat op een betonnen kelder. Van het oudste silogebouw zijn de silowanden en de gevels gebouwd met Nehobo-stenen op een betonnen onderbouw. Het hoogste silogebouw heeft een complete stalen constructie waarvan de kolommen zich naar boven toe verjongen. De gevel is opgebouwd uit enkelwandige stalen geprofileerde platen.
Het pakhuis en het silogebouw (met de Kappert benaming) vormen gezamenlijk een karakteristieke eenheid. Door de positionering van de verschillende gevelopeningen zijn eigenzinnige gevels ontstaan. Het hoge stalen silogebouw is vooral bijzonder door de hoogte en draagt daardoor bij aan het “landmark”-betekenis.
0822PDF_Silo Hankate.pdf
Het silocomplex van Hankate is een voormalig veevoeder verwerkingsbedrijf (Kappert) gelegen aan het kruispunt van de Ommerweg en het Overijsselsch kanaal.
De vraag of de gebouwen geschikt te maken zijn voor een nieuwe woonbestemming richt zich niet alleen op het behoud van karakteristieke elementen, maar ook de technische staat van de bestaande gebouwen en de kosten van mogelijke ingrepen.
Het totale complex laat de ontwikkeling in de tijd goed zien doordat de verschillende volumes nog steeds herkenbaar zijn in het geheel. In de gebouwen zijn de verschillende bouwwijzen te herkennen. Het pakhuis bestaat uit een metselwerkgevel met houten verdieping- en dakvloeren. Het geheel staat op een betonnen kelder. Van het oudste silogebouw zijn de silowanden en de gevels gebouwd met Nehobo-stenen op een betonnen onderbouw. Het hoogste silogebouw heeft een complete stalen constructie waarvan de kolommen zich naar boven toe verjongen. De gevel is opgebouwd uit enkelwandige stalen geprofileerde platen.
Het pakhuis en het silogebouw (met de Kappert benaming) vormen gezamenlijk een karakteristieke eenheid. Door de positionering van de verschillende gevelopeningen zijn eigenzinnige gevels ontstaan. Het hoge stalen silogebouw is vooral bijzonder door de hoogte en draagt daardoor bij aan het “landmark”-betekenis.
Er is een werkwijze met drie verschillende scenario’s gevolgd.
Het eerste scenario is gebaseerd op realisatie door minimale ingrepen in de huidige structuur en het herstel van de bestaande constructies. Er is sprake van een zo maximaal mogelijk hergebruik tegen minimale kosten. In de laagbouw worden woningen gemaakt en in de loodsen en silo’s een gemeenschappelijke programma van werkruimten/ateliers met mogelijke expositieruimten.
Het tweede scenario gaat uit van een optimaal hergebruik waarbij zo nodig zwaardere ingrepen in de bestaande structuur zijn toegestaan om nieuwe functies te kunnen accommoderen, met daarnaast mogelijke nieuwe uitbreidingen. Hier is gekozen voor een woonvorm met kleine individuele appartementen met een gemeenschappelijke zorgcomponent. De woningen passen binnen de contour van het silogebouw boven de betonnen onderbouw. In het stalen silogebouw worden binnen het staalskelet de lift en de trappen opgenomen. Met het vervangen van de gevelbeplating voor een transparante gevelbekleding ontstaat een grote kas die als een overdekte buitenruimte gebruikt kan worden. Met aanvullende voorzieningen, bijv. zonnepanelen aan de gevel, windturbines op het dak kan een klimaatmachine worden gemaakt dat deze zorgcluster kan voorzien.
Het eerste scenario is gebaseerd op realisatie door minimale ingrepen in de huidige structuur en het herstel van de bestaande constructies. Er is sprake van een zo maximaal mogelijk hergebruik tegen minimale kosten. In de laagbouw worden woningen gemaakt en in de loodsen en silo’s een gemeenschappelijke programma van werkruimten/ateliers met mogelijke expositieruimten.
Het tweede scenario gaat uit van een optimaal hergebruik waarbij zo nodig zwaardere ingrepen in de bestaande structuur zijn toegestaan om nieuwe functies te kunnen accommoderen, met daarnaast mogelijke nieuwe uitbreidingen. Hier is gekozen voor een woonvorm met kleine individuele appartementen met een gemeenschappelijke zorgcomponent. De woningen passen binnen de contour van het silogebouw boven de betonnen onderbouw. In het stalen silogebouw worden binnen het staalskelet de lift en de trappen opgenomen. Met het vervangen van de gevelbeplating voor een transparante gevelbekleding ontstaat een grote kas die als een overdekte buitenruimte gebruikt kan worden. Met aanvullende voorzieningen, bijv. zonnepanelen aan de gevel, windturbines op het dak kan een klimaatmachine worden gemaakt dat deze zorgcluster kan voorzien.
Het derde scenario gaat uit van een maximaal ruimtegebruik. Hergebruik gebeurt bij de bouwdelen die relatief eenvoudig te transformeren zijn. Binnen de ruimte enveloppe wordt maximale nieuwbouw toegevoegd. In dit scenario wordt ingezet op zelfstandige appartementen voor senioren met gemeenschappelijke ruimten, bijv. programma’s waaraan de bewoners een bijdrage willen leveren, zoals een theeschenkerij gecombineerd met de verkoop van (eigen) streekproducten. Daarnaast is er op termijn ruimte voor zorg. Om het draagvlak te vergroten wordt het aantal nieuwbouw woningen binnen de contour van de bestaande bebouwing gemaximaliseerd. De woningen worden in maximaal drie woonlagen om een hof gebouwd binnen de contouren van het complex om een collectieve binnentuin.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Gebroeders Bloemsema i.s.m. Provincie Overijssel en gemeente Hellendoorn
Jaar: 2009
Project: Studie
Projectgegevens
Opdrachtgever: Gebroeders Bloemsema i.s.m. Provincie Overijssel en gemeente Hellendoorn
Jaar: 2009
Project: Studie
Streekmuseum Kampereiland
0821PDF_Kampereiland.pdf
De Museumboerderij ‘Erf 29’ op Kampereiland laat in haar collectie voorwerpen zien uit het dagelijks leven op het Kampereiland in het recent en eerder verleden. Het ensemble van gebouwen zelf vormt een gaaf voorbeeld van een typische woonterp en heeft daarmee een museale waarde op zich. Het museum is open sinds juli 2006.
Na 3 jaar succesvolle museumpraktijk is er behoefte aan een uitbreiding van het tentoonstellingsoppervlak. Zo kan een completer beeld getoond worden.
Juist vanwege de gaafheid van de bebouwing, de monumentale, cultuurhistorische en archeologische waarde daarvan dient toevoeging van bebouwing op of aan de terp met de nodige zorgvuldigheid te gebeuren. Een transformatieplan biedt aan de initiatiefnemers, in dit geval de stichting ons erfgoed, de mogelijkheid om met de professionele en financiële ondersteuning van de provincie, welstand en de gemeente tot een weloverwogen plan te komen.
0821PDF_Kampereiland.pdf
De Museumboerderij ‘Erf 29’ op Kampereiland laat in haar collectie voorwerpen zien uit het dagelijks leven op het Kampereiland in het recent en eerder verleden. Het ensemble van gebouwen zelf vormt een gaaf voorbeeld van een typische woonterp en heeft daarmee een museale waarde op zich. Het museum is open sinds juli 2006.
Na 3 jaar succesvolle museumpraktijk is er behoefte aan een uitbreiding van het tentoonstellingsoppervlak. Zo kan een completer beeld getoond worden.
Juist vanwege de gaafheid van de bebouwing, de monumentale, cultuurhistorische en archeologische waarde daarvan dient toevoeging van bebouwing op of aan de terp met de nodige zorgvuldigheid te gebeuren. Een transformatieplan biedt aan de initiatiefnemers, in dit geval de stichting ons erfgoed, de mogelijkheid om met de professionele en financiële ondersteuning van de provincie, welstand en de gemeente tot een weloverwogen plan te komen.
In het opstellen van dit transformatieplan is stap voor stap onderzocht welke mogelijkheden er zijn. Vanuit de analyses zijn ontwerpen gemaakt voor de museumuitbreiding en erfinrichting.
In overleg met het bestuur van het museum is het volgende programma vastgesteld:
• een stallingruimte voor voertuigen en werktuigen.
• een expositieruimte in aanvulling op het bestaande museum.
Uitgangspunten voor de bebouwing
Alle bestaande gebouwen staan op de terp, de top van de terp is volgebouwd. De toevoeging van een nieuw volume zal daarom altijd in de taludzone van de terp gerealiseerd moeten worden.
Door positie te kiezen in de vloerniveaus van de gewenste stalling- en museum ruimte kan deze positie ten opzichte van het historisch aanlegniveau worden benadrukt. De onmogelijkheid om op de terp te bouwen en de onwenselijkheid om geheel naast de terp te bouwen worden hiermee in het ontwerp duidelijk gemaakt. De al aanwezige uitsnede in de terp van een voormalige mestplaat is de natuurlijke plek om de toevoeging te positioneren.
In materiaalkeuze sluit de nieuwbouw aan op de bestaande bebouwing. Er is wel voor een onderscheid in materiaal gekozen tussen onderbouw -beton- en bovenbouw - metselwerk en riet.
In overleg met het bestuur van het museum is het volgende programma vastgesteld:
• een stallingruimte voor voertuigen en werktuigen.
• een expositieruimte in aanvulling op het bestaande museum.
Uitgangspunten voor de bebouwing
Alle bestaande gebouwen staan op de terp, de top van de terp is volgebouwd. De toevoeging van een nieuw volume zal daarom altijd in de taludzone van de terp gerealiseerd moeten worden.
Door positie te kiezen in de vloerniveaus van de gewenste stalling- en museum ruimte kan deze positie ten opzichte van het historisch aanlegniveau worden benadrukt. De onmogelijkheid om op de terp te bouwen en de onwenselijkheid om geheel naast de terp te bouwen worden hiermee in het ontwerp duidelijk gemaakt. De al aanwezige uitsnede in de terp van een voormalige mestplaat is de natuurlijke plek om de toevoeging te positioneren.
In materiaalkeuze sluit de nieuwbouw aan op de bestaande bebouwing. Er is wel voor een onderscheid in materiaal gekozen tussen onderbouw -beton- en bovenbouw - metselwerk en riet.
Uitgangspunten voor het erf ontwerp
• Het erf ligt open in het landschap
• Onderscheid voor- en achtererf versterken
• Heldere verdeling functionele eenheden (werk, boomgaard, siertuin, etc.)
• Passende dode materialen (grind en beton)
• Passende beplanting (inheems en van het boerenerf)
• Ervaarbaar houden van het hoogteverschil
• Behouden boomgaard
• Plek voor siertuin
Projectgegevens
Opdrachtgever: Stichting ‘Ons Erfgoed’ en Museumboerderij Kampereiland met de ondersteuning van de Provincie Overijssel reanimatie agrarisch en industrieel erfgoed en de gemeente Kampen
Jaar: 2009
BVO: 450 m2
Project: Transformatieplan
In samenwerking met: MD Landschapsarchitecten
• Het erf ligt open in het landschap
• Onderscheid voor- en achtererf versterken
• Heldere verdeling functionele eenheden (werk, boomgaard, siertuin, etc.)
• Passende dode materialen (grind en beton)
• Passende beplanting (inheems en van het boerenerf)
• Ervaarbaar houden van het hoogteverschil
• Behouden boomgaard
• Plek voor siertuin
Projectgegevens
Opdrachtgever: Stichting ‘Ons Erfgoed’ en Museumboerderij Kampereiland met de ondersteuning van de Provincie Overijssel reanimatie agrarisch en industrieel erfgoed en de gemeente Kampen
Jaar: 2009
BVO: 450 m2
Project: Transformatieplan
In samenwerking met: MD Landschapsarchitecten
Woon-werkhuis te Niehove
0762PDF_Woon-werkhuis Niehove.pdf
In een voormalige boerderij in Middag Humsterland, op de terp van Frytum, zijn een woning en een ‘dependance’ van het kantoor van Enno Zuidema Stedebouw ondergebracht. Het is een exemplarisch voorbeeld van nieuwe gebruik van een monumentale erfenis uit een agrarisch verleden. Van boerderijen als deze zullen er de komende twintig jaar nog duizenden vrijkomen. Transformatie tot bedrijfsgebouw, woning of een combinatie van beide kan één van de antwoorden leveren op het krimpvraagstuk.
De oude kop-hals-romp-boerderij is in de loop van de geschiedenis al vaker op pragmatische wijze verbouwd. Hoewel dit aan de buitenzijde niet direct zichtbaar is heeft dit in het interieur tot soms wonderlijke ontmoetingen van functies, ruimten en volumes geleid. Zo loopt de ‘hals’ door tot in de ‘romp’ (schuur) en is het aanzienlijke hoogteverschil van de terp in de gebouwen beleefbaar. Een lange, rechte route verbindt alle bouwdelen van de achtergevel van schuur tot voorhuis.
0762PDF_Woon-werkhuis Niehove.pdf
In een voormalige boerderij in Middag Humsterland, op de terp van Frytum, zijn een woning en een ‘dependance’ van het kantoor van Enno Zuidema Stedebouw ondergebracht. Het is een exemplarisch voorbeeld van nieuwe gebruik van een monumentale erfenis uit een agrarisch verleden. Van boerderijen als deze zullen er de komende twintig jaar nog duizenden vrijkomen. Transformatie tot bedrijfsgebouw, woning of een combinatie van beide kan één van de antwoorden leveren op het krimpvraagstuk.
De oude kop-hals-romp-boerderij is in de loop van de geschiedenis al vaker op pragmatische wijze verbouwd. Hoewel dit aan de buitenzijde niet direct zichtbaar is heeft dit in het interieur tot soms wonderlijke ontmoetingen van functies, ruimten en volumes geleid. Zo loopt de ‘hals’ door tot in de ‘romp’ (schuur) en is het aanzienlijke hoogteverschil van de terp in de gebouwen beleefbaar. Een lange, rechte route verbindt alle bouwdelen van de achtergevel van schuur tot voorhuis.
Na verbouw van het voorhuis en uitbreiding in de schuur met een keuken, patio, badkamers en slaapvertrekken werd in 2009 het kantoor van Enno Zuidema Stedebouw achter in de schuur ontworpen en opgeleverd. De uitbreidingen van de woning in de schuur zijn amorf van karakter en borduren zo voort op de verbouwgeschiedenis van de boerderij. Het kantoor is duidelijk als een zelfstandig volume in de schuur vormgegeven. Alle nieuwe functies zijn in de ‘zijbeuken’, het gebied tussen de gebinten en de buitengevel geplaatst, waarbij de zware gebinten niet worden geraakt. Op deze wijze blijft de centrale schuurruimte leeg en is de maat van de kap overal beleefbaar. De functies in de randen zijn bepaald, het ‘middenschip’ is vrij voor allerlei invullingen, zoals speelruimte, opslag, werkplaats of concertruimte. Ten behoeve van daglichttoetreding zijn bestaande openingen gebruikt (soms opnieuw geopend) of nieuwe openingen toegevoegd. Een toekomstige uitbreiding van het kantoor met een eerste verdieping is mogelijk onder de kap.
Het idee van de boerderijschuur als grote paraplu waaronder losse, nieuwe volumes als meubels in de ruimte is een ontwerpconcept dat niet alleen ruimtelijk bijzondere kwaliteiten oplevert, maar ook bouwfysisch en in het gebruik buitengewoon goed past bij nieuwe gebruiksvormen van bestaande schuren. De gehele schuur isoleren zou een situatie opleveren waarin de kap niet meer kan ventileren en een beetje bewegen (zoals een schuur doet), de draagconstructie ingepakt is en er een enorm volume warm gestookt zou moeten worden. Als interieurelementen zijn losse volumes onder kap eenvoudiger te maken, bouwfysisch te optimaliseren en bovendien laten zij de kap intact. Met een warmtepompsysteem is het beperkte volume van het kantoor eenvoudig op temperatuur te houden en in de zomer te koelen. Het klimaat in de niet verwarmde ‘tussenruimte’ is zodanig dat hier het overgrote deel van het jaar allerlei onderdelen van het woon-/werkprogramma een plek zullen vinden. De bruikbare ruimte beweegt mee met de seizoenen.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Enno Zuidema
Oplevering: 2009
BVO: 130 m2
Projectgegevens
Opdrachtgever: Enno Zuidema
Oplevering: 2009
BVO: 130 m2
Bloemsingel te Groningen
0510PDF_bloemsingel.pdf
Het Paleis in Groningen, eerder bekend in Groningen onder de naam Bloemsingel 10 is in sept. 2009 geopend. Alle appartementen en ateliers zijn betrokken.
In het voormalig scheikundig laboratorium aan de Bloemsingel 10 is een ontwerp gemaakt voor een cultureel woon-werkgebouw. Naast ateliers, studio’s appartementen en diverse bedrijfsruimten vinden vele culturele activiteiten plaats vinden in het gebouw o.a. de maandelijkse Culturele Zondagen.
0510PDF_bloemsingel.pdf
Het Paleis in Groningen, eerder bekend in Groningen onder de naam Bloemsingel 10 is in sept. 2009 geopend. Alle appartementen en ateliers zijn betrokken.
In het voormalig scheikundig laboratorium aan de Bloemsingel 10 is een ontwerp gemaakt voor een cultureel woon-werkgebouw. Naast ateliers, studio’s appartementen en diverse bedrijfsruimten vinden vele culturele activiteiten plaats vinden in het gebouw o.a. de maandelijkse Culturele Zondagen.
De publieksfuncties zijn gerangschikt rondom de toegankelijk gemaakte westelijke binnenplaats van het gebouw. De tweede binnenplaats heeft een meer besloten karakter met een binnentuin voor bewoners en kunstenaars. De woningen bevinden zich op de bovenste twee lagen.
Historische elementen in het gebouw en de buitengevels worden zo veel mogelijk gehandhaafd, nieuwe toevoegingen zijn duidelijk als zodanig herkenbaar met als meest markante punt de nieuwe doorgang naar de westelijke binnenplaats waar de horecafunctie een plek heeft gekregen naast en boven de doorgang.
Het programma omvat 19 woningen en 8 studio’s, met een totaal oppervlakte van een 2500 m2, een auditorium/conferentieruimte van 200 m2, een horecagelegenheid van 200 m2, een hotel met 10 kamers, 3 vergaderruimtes, een projectruimte van 90 m2, 500 m2 startersateliers, 1260 m2 (koop)ateliers en 1100 m2 bedrijfsruimte waar hoofdzakelijk creatieve bedrijven zich hebben gevestigd.
www.hetpaleisgroningen.nl
Projectgegevens
Opdrachtgever: Nijestee Vastgoed
Oplevering: 2009
BVO: 7.500 m2
Historische elementen in het gebouw en de buitengevels worden zo veel mogelijk gehandhaafd, nieuwe toevoegingen zijn duidelijk als zodanig herkenbaar met als meest markante punt de nieuwe doorgang naar de westelijke binnenplaats waar de horecafunctie een plek heeft gekregen naast en boven de doorgang.
Het programma omvat 19 woningen en 8 studio’s, met een totaal oppervlakte van een 2500 m2, een auditorium/conferentieruimte van 200 m2, een horecagelegenheid van 200 m2, een hotel met 10 kamers, 3 vergaderruimtes, een projectruimte van 90 m2, 500 m2 startersateliers, 1260 m2 (koop)ateliers en 1100 m2 bedrijfsruimte waar hoofdzakelijk creatieve bedrijven zich hebben gevestigd.
www.hetpaleisgroningen.nl
Projectgegevens
Opdrachtgever: Nijestee Vastgoed
Oplevering: 2009
BVO: 7.500 m2
Oplevering Shared Service Centre te Veenhuizen
0439PDF_Shared Service Centre.pdf
Eind 2008 werd het Shared Service Centre te Veenhuizen opgeleverd. Enige jaren geleden werd al het Clusterkantoor voltooid, het SSC vormt een voltooiing van de invulling van het voormalig werkgesticht.
Doelstelling
Voor het werkgesticht van de PI Norgerhaven moest nieuwbouw gerealiseerd worden, om te kunnen voldoen aan huidige eisen. Voor het oorspronkelijke werkgesticht, een Rijksmonument, was vervolgens vervangend gebruik nodig. DAAD Architecten had reeds onderzoek verricht naar hergebruikmogelijkheden van gebouwen in Veenhuizen. In de, bij het werkgesticht gevolgde, onderzoeksmethodiek 'Programma van Mogelijkheden' staan de potenties van het complex centraal. In plaats van onderzoek naar de benodigde ingrepen, om een gebouw geschikt te maken voor een vooraf bepaald programma, laten we het gebouw vertellen welke kwaliteiten het heeft en welke functies de ruimten het best zouden kunnen opnemen. Dit omgekeerde proces, dat via het bestaande gebouw en een Programma van Mogelijkheden leidt tot een programma van eisen, biedt ons inziens de beste kansen een passende herbestemming te vinden. Het gebouw, bestaande uit 8 compartimenten van 12,6 x 15,4 m, bleek uitermate geschikt voor huisvesting van een eigentijds kantoorprogramma voor ca. 250 personen: een kantoor voor het SSC van Justitie.
0439PDF_Shared Service Centre.pdf
Eind 2008 werd het Shared Service Centre te Veenhuizen opgeleverd. Enige jaren geleden werd al het Clusterkantoor voltooid, het SSC vormt een voltooiing van de invulling van het voormalig werkgesticht.
Doelstelling
Voor het werkgesticht van de PI Norgerhaven moest nieuwbouw gerealiseerd worden, om te kunnen voldoen aan huidige eisen. Voor het oorspronkelijke werkgesticht, een Rijksmonument, was vervolgens vervangend gebruik nodig. DAAD Architecten had reeds onderzoek verricht naar hergebruikmogelijkheden van gebouwen in Veenhuizen. In de, bij het werkgesticht gevolgde, onderzoeksmethodiek 'Programma van Mogelijkheden' staan de potenties van het complex centraal. In plaats van onderzoek naar de benodigde ingrepen, om een gebouw geschikt te maken voor een vooraf bepaald programma, laten we het gebouw vertellen welke kwaliteiten het heeft en welke functies de ruimten het best zouden kunnen opnemen. Dit omgekeerde proces, dat via het bestaande gebouw en een Programma van Mogelijkheden leidt tot een programma van eisen, biedt ons inziens de beste kansen een passende herbestemming te vinden. Het gebouw, bestaande uit 8 compartimenten van 12,6 x 15,4 m, bleek uitermate geschikt voor huisvesting van een eigentijds kantoorprogramma voor ca. 250 personen: een kantoor voor het SSC van Justitie.
Prijzenswaardigheden
In 'Historische documentatie en waardebepaling Veenhuizen' (RGD bureau Rijksbouwmeester, dec.1990) wordt het gebouw aangemerkt als beeldbepalend in ruimtelijke en cultuurhistorische zin. Het ontwerp was erop gericht deze kwaliteiten te versterken, ondermeer door ingrepen niet te laten contrasteren met het bestaande gebouw en deze met eerbied voor het monument uit te voeren.
Rol gebruikers
Het programma van eisen was, door politieke besluitvorming, tot ver na de bouwstart onduidelijk. De ontwerpteamleden namens de gebruiker waren niet degenen, die in het gebouw zouden gaan werken. In eerste instantie werd een cellenkantoor ontworpen. Tijdens de bouw werd dit, in overleg met de gebruiker, deels omgebogen naar flexplekken.
In 'Historische documentatie en waardebepaling Veenhuizen' (RGD bureau Rijksbouwmeester, dec.1990) wordt het gebouw aangemerkt als beeldbepalend in ruimtelijke en cultuurhistorische zin. Het ontwerp was erop gericht deze kwaliteiten te versterken, ondermeer door ingrepen niet te laten contrasteren met het bestaande gebouw en deze met eerbied voor het monument uit te voeren.
Rol gebruikers
Het programma van eisen was, door politieke besluitvorming, tot ver na de bouwstart onduidelijk. De ontwerpteamleden namens de gebruiker waren niet degenen, die in het gebouw zouden gaan werken. In eerste instantie werd een cellenkantoor ontworpen. Tijdens de bouw werd dit, in overleg met de gebruiker, deels omgebogen naar flexplekken.
Innovatie en bijzondere kenmerken
De eigenlijke ontsluiting van het 'nieuwe' complex kan, als oorspronkelijk, vanaf de binnenplaats plaatsvinden. Ingrepen in de buitengevels zijn beperkt gebleven. Vooral aan de binnenplaatsgevels is te zien, dat het gebouw een nieuwe functie heeft: nieuwe entrees, een loopbrug en grotere volumes in het dakvlak. De ontsluiting van kantoorunits vanaf het binnenterrein komt tegemoet aan de programmatische eisen van een beveiligingsschil op de perimeter en flexibiliteit in verhuur van kantoorunits. Begane grond en zolder zijn ruimtelijk en functioneel verschillend behandeld. Op de begane grond zijn afzonderlijke kantoorvertrekken, met oude details nog zichtbaar; gewelvenplafond, gietijzeren constructie, trappen, kozijnen, etc. Hieraan toegevoegd zijn nieuwe wandelementen, in het midden en aan de gevelzijde, waarin alle technische voorzieningen. De zolder is zoveel mogelijk als grote, open ruimte gehandhaafd, met werkplekken en overlegruimten. Net boven de vloer bieden nieuwe vensteropeningen zicht op de omgeving. Hoog in de ruimte prikken enkele 'dozen' door het dakvlak met concentratiewerkplekken.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Rijksgebouwendienst
Oplevering: najaar 2008
BVO: 5.650 m2
De eigenlijke ontsluiting van het 'nieuwe' complex kan, als oorspronkelijk, vanaf de binnenplaats plaatsvinden. Ingrepen in de buitengevels zijn beperkt gebleven. Vooral aan de binnenplaatsgevels is te zien, dat het gebouw een nieuwe functie heeft: nieuwe entrees, een loopbrug en grotere volumes in het dakvlak. De ontsluiting van kantoorunits vanaf het binnenterrein komt tegemoet aan de programmatische eisen van een beveiligingsschil op de perimeter en flexibiliteit in verhuur van kantoorunits. Begane grond en zolder zijn ruimtelijk en functioneel verschillend behandeld. Op de begane grond zijn afzonderlijke kantoorvertrekken, met oude details nog zichtbaar; gewelvenplafond, gietijzeren constructie, trappen, kozijnen, etc. Hieraan toegevoegd zijn nieuwe wandelementen, in het midden en aan de gevelzijde, waarin alle technische voorzieningen. De zolder is zoveel mogelijk als grote, open ruimte gehandhaafd, met werkplekken en overlegruimten. Net boven de vloer bieden nieuwe vensteropeningen zicht op de omgeving. Hoog in de ruimte prikken enkele 'dozen' door het dakvlak met concentratiewerkplekken.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Rijksgebouwendienst
Oplevering: najaar 2008
BVO: 5.650 m2
Keuterijen - Erfgoed met toekomst
0828PDF_Keuterijen.pdf
In opdracht van het Drents Plateau voerde DAAD Architecten een ontwerponderzoek uit naar hergebruik- uitbreidingsmogelijkheden van keuterijen in Drenthe. Op 17 oktober 2008 werd de publicatie 'Keuterijen, beeld voor de toekomst' gepresenteerd.
www.drentsplateau.nl
Geschiedenis
Nog geen honderd jaar geleden bewoonde één op de drie huishoudens in Drenthe een keuterij. Na de invoering van de woningwet in 1901 werden vooral in Drenthe, maar ook in Groningen en Friesland grote aantallen van deze kleine, vrijstaande woningen voor keuterboeren gebouwd. Met voorin het woonhuis en achterin ruimte voor wat vee was de keuterij, die inclusief grond voor weide of akker verhuurd werd, een kleine versie van de boerderij.
0828PDF_Keuterijen.pdf
In opdracht van het Drents Plateau voerde DAAD Architecten een ontwerponderzoek uit naar hergebruik- uitbreidingsmogelijkheden van keuterijen in Drenthe. Op 17 oktober 2008 werd de publicatie 'Keuterijen, beeld voor de toekomst' gepresenteerd.
www.drentsplateau.nl
Geschiedenis
Nog geen honderd jaar geleden bewoonde één op de drie huishoudens in Drenthe een keuterij. Na de invoering van de woningwet in 1901 werden vooral in Drenthe, maar ook in Groningen en Friesland grote aantallen van deze kleine, vrijstaande woningen voor keuterboeren gebouwd. Met voorin het woonhuis en achterin ruimte voor wat vee was de keuterij, die inclusief grond voor weide of akker verhuurd werd, een kleine versie van de boerderij.
Hoewel er talrijke varianten van het type bestaan en de keuterij zich in de loop van de tijd ontwikkeld heeft van een krimpentype tot een groter boerderijtype, zijn de keuterijen in hoofdopzet gelijk en delen zij een aantal kenmerken. Een voorhuis van steen en een houten achterdeel, een hoge kap met lage goot, een gemetselde kopgevel met schoorsteen, twee grote vensters op de begane grond en twee kleine erboven, een inspringing in de zijgevel (krimp) om voldoende hoogte te hebben voor de entreedeur. Dakpannen en baksteen waren destijds dure materialen, vandaar dat het gebruik ervan bij keuterijen beperkt bleef tot plekken waar het echt nodig was. Waar geen stahoogte vereist was is de zijgevel laag, daken waren destijds geheel of gedeeltelijk van het goedkope materiaal riet. Met hun eenvoudige, karakteristieke verschijningsvorm en regionaal specifieke kenmerken vormen de keuterijen een belangrijk lid van de familie van Drentse agrarische gebouwen.
Verbouw of sloop
In de charme van de kleinschaligheid van keuterijen schuilt ook hun grootste bedreiging. Ze zijn oud en vaak bouwvallig, klein en laag en er komt weinig daglicht binnen. Kortom, in bouwtechnisch en ruimtelijk opzicht voldoen ze niet meer aan de eisen die wij aan ons huidige wooncomfort stellen. De keuterijen hebben doorgaans geen beschermende monumentstatus. Veel (nieuwe) eigenaar/bewoners kiezen ervoor de bestaande keuterij te slopen en te vervangen door een woning die in alle opzichten beter bij hun woonwensen past. Of de keuterij wordt soms op zo’n manier verbouwd dat het oorspronkelijke gebouwtje er niet of nauwelijks meer in te herkennen is. Hiermee dreigt een bijzonder type gebouw snel uit het Drentse landschap te verdwijnen. Dat is jammer en zou niet hoeven gebeuren, omdat er vele manieren denkbaar zijn om een keuterij op eenvoudige wijze aan te passen aan moderne woonwensen, zonder het oorspronkelijke karakter uit het oog te verliezen. Daarover gaat de brochure.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Drents Plateau
Jaar: 2008
Project: Studie
In de charme van de kleinschaligheid van keuterijen schuilt ook hun grootste bedreiging. Ze zijn oud en vaak bouwvallig, klein en laag en er komt weinig daglicht binnen. Kortom, in bouwtechnisch en ruimtelijk opzicht voldoen ze niet meer aan de eisen die wij aan ons huidige wooncomfort stellen. De keuterijen hebben doorgaans geen beschermende monumentstatus. Veel (nieuwe) eigenaar/bewoners kiezen ervoor de bestaande keuterij te slopen en te vervangen door een woning die in alle opzichten beter bij hun woonwensen past. Of de keuterij wordt soms op zo’n manier verbouwd dat het oorspronkelijke gebouwtje er niet of nauwelijks meer in te herkennen is. Hiermee dreigt een bijzonder type gebouw snel uit het Drentse landschap te verdwijnen. Dat is jammer en zou niet hoeven gebeuren, omdat er vele manieren denkbaar zijn om een keuterij op eenvoudige wijze aan te passen aan moderne woonwensen, zonder het oorspronkelijke karakter uit het oog te verliezen. Daarover gaat de brochure.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Drents Plateau
Jaar: 2008
Project: Studie
ACM-locatie te Groningen
0620PDF_ACM Silo Groningen.pdf
Tussen Vinkhuizen en de binnenstad ligt, ingeklemd tussen de westelijke Ringweg, het spoor en het Reitdiep, de ACM-locatie met een voormalig silocomplex. De locatie maakt onderdeel uit van een rommelig gebied tussen de Friesestraatweg en het Reitdiep met bedrijven en enkele woningen. Een zone die een ruimtelijke barrière tussen verschillende delen van Groningen vormt.
Om de barrièrewerking van deze zone op te heffen zal het gebied in de nabije toekomst herontwikkeld worden. De ACM-locatie krijgt met een mix van bedrijven en culturele functies een belangrijke centrale positie in het gebied. Het silocomplex is een verzameling van industriële gebouwen uit verschillende tijden met gemetselde loodsen, een betonnen silo en een silogebouw opgebouwd uit stalen damwanden. De gebouwen vormden ooit tesamen een veevoerfabriek. Elk gebouw heeft specifieke, op de toenmalige functie toegesneden ruimtelijke en constructieve kenmerken. Eigenschappen die bij hergebruik kwaliteiten kunnen zijn of nieuwe functies in de weg zitten.
0620PDF_ACM Silo Groningen.pdf
Tussen Vinkhuizen en de binnenstad ligt, ingeklemd tussen de westelijke Ringweg, het spoor en het Reitdiep, de ACM-locatie met een voormalig silocomplex. De locatie maakt onderdeel uit van een rommelig gebied tussen de Friesestraatweg en het Reitdiep met bedrijven en enkele woningen. Een zone die een ruimtelijke barrière tussen verschillende delen van Groningen vormt.
Om de barrièrewerking van deze zone op te heffen zal het gebied in de nabije toekomst herontwikkeld worden. De ACM-locatie krijgt met een mix van bedrijven en culturele functies een belangrijke centrale positie in het gebied. Het silocomplex is een verzameling van industriële gebouwen uit verschillende tijden met gemetselde loodsen, een betonnen silo en een silogebouw opgebouwd uit stalen damwanden. De gebouwen vormden ooit tesamen een veevoerfabriek. Elk gebouw heeft specifieke, op de toenmalige functie toegesneden ruimtelijke en constructieve kenmerken. Eigenschappen die bij hergebruik kwaliteiten kunnen zijn of nieuwe functies in de weg zitten.
In opdracht van Lefier Groningen is door DAAD Architecten een studie uitgevoerd met als doel de hergebruikpotentie voor het gehele complex in kaart te brengen.
Er zijn een drietal modellen ontwikkeld die allen een ander uitgangspunt hadden.
Model 1: minimale investering.
Model 2: maximaal hergebruik.
Model 3: optimalisatie locatie.
Aan de hand van deze studie en een exploitatiebegroting is een Programma van Eisen vastgesteld voor de verschillende gebouwdelen.
Stalen silo: sloop.
Zakgoedmagazijn: sloop.
Grondstoffendoseersilo: kantoren/horeca.
Veevoerfabriek: welnes/hamam.
Opslagloods: dansstudio.
Er zijn een drietal modellen ontwikkeld die allen een ander uitgangspunt hadden.
Model 1: minimale investering.
Model 2: maximaal hergebruik.
Model 3: optimalisatie locatie.
Aan de hand van deze studie en een exploitatiebegroting is een Programma van Eisen vastgesteld voor de verschillende gebouwdelen.
Stalen silo: sloop.
Zakgoedmagazijn: sloop.
Grondstoffendoseersilo: kantoren/horeca.
Veevoerfabriek: welnes/hamam.
Opslagloods: dansstudio.
Door het grote verschil in architectonische en cultuurhistorische waarde en de wisselende kwaliteit van de bouwkundige staat van de verschillende gebouwdelen, is er gekozen om elk gebouwdeel verschillend te benaderen. De dansstudio wordt als inbouwpakket geplaatst in de opslagloods. Het oorspronkelijke gebouw wordt in grote mate intact gelaten. De veevoerfabriek wordt volledig gestript tot er een gave betonstructuur over blijft. Hierin worden de verschillende onderdelen van het welnes programma als dozen tussen geplaatst. Bij de grondstofdoseersilo wordt het bovenste deel van de silo’s gesloopt. Het onderste deel van de silo’s wordt als fundering gebruikt voor een volume met kantoorvloeren. Tussen de kolommen van het onderste deel bevindt zich een café/restaurant. Zo ontstaat een complex waar programma en gebouw nauw met elkaar verweven zijn en er nog ruimte is voor het verleden van de gebouwen.
Projectgegevens
Opdrachtgever : Lefier Groningen
Jaar: 2008
BVO: 6.700 m2
Projectgegevens
Opdrachtgever : Lefier Groningen
Jaar: 2008
BVO: 6.700 m2
Renovatie Rossini flat te Zutphen
0853PDF_Rossini flat.pdf
De Lighthouses zijn een specifieke vorm van bouwen op het zogenaamde tweede maaiveld; op het dak van bestaande gebouwen. Het product is ontstaan uit een samenwerking tussen Vlasblom Projectontwikkeling, DAAD Architecten BV en Ingenieursbureau Wassenaar. Na de bouw van een prototype en een zogenaamde nulserie van de Lighthouses aan de Rabenhauptstraat in Groningen heeft een doorontwikkeling van het product plaatsgevonden. De studie naar de renovatie van de Rossini flat in Zutphen is een volgende stap in de ontwikkeling. In 2008 werd bovengenoemde combinatie gevraagd door Woningbouwvereniging Ieder1 om het Lighhouse concept in te zetten voor een herstructureringsstudie naar een aantal van haar naoorlogse complexen.
0853PDF_Rossini flat.pdf
De Lighthouses zijn een specifieke vorm van bouwen op het zogenaamde tweede maaiveld; op het dak van bestaande gebouwen. Het product is ontstaan uit een samenwerking tussen Vlasblom Projectontwikkeling, DAAD Architecten BV en Ingenieursbureau Wassenaar. Na de bouw van een prototype en een zogenaamde nulserie van de Lighthouses aan de Rabenhauptstraat in Groningen heeft een doorontwikkeling van het product plaatsgevonden. De studie naar de renovatie van de Rossini flat in Zutphen is een volgende stap in de ontwikkeling. In 2008 werd bovengenoemde combinatie gevraagd door Woningbouwvereniging Ieder1 om het Lighhouse concept in te zetten voor een herstructureringsstudie naar een aantal van haar naoorlogse complexen.
De Rossini flat ligt tegen het centrum van Zutphen. Een sterke opvoering van de woningdichtheid op deze locatie ligt voor de hand. Met toepassing van de Lighouses is in twee varianten, in het zogenaamde hof- en sculptuurmodel, onderzocht hoe dit zou kunnen.
In het hofmodel is een optimale dakverkaveling gezocht tussen Lighthouse en buitenruimte. In het sculptuur model is een maximaal aantal Lighthouses op het dak van de bestaande flats geplaatst.
In beide modellen is de toevoeging van een extra lift en trappenhuis (je moet het dak bereikbaar maken) aanleiding geweest om langs één van deze stijgpunten een extra programma toe te voegen in de vorm van zogenaamde ‘guesthouses’. Niet alleen kan zo een kwalitatieve programmatische toevoeging worden gedaan voor de huidige en nieuwe bewoners maar wordt met de extra kopbebouwing ook een nieuw gezicht van de flats naar de stad gemaakt. Daarnaast kunnen met deze toegevoegde ‘boekensteunen’ een aantal constructieve problemen worden opgelost.
In het hofmodel is een optimale dakverkaveling gezocht tussen Lighthouse en buitenruimte. In het sculptuur model is een maximaal aantal Lighthouses op het dak van de bestaande flats geplaatst.
In beide modellen is de toevoeging van een extra lift en trappenhuis (je moet het dak bereikbaar maken) aanleiding geweest om langs één van deze stijgpunten een extra programma toe te voegen in de vorm van zogenaamde ‘guesthouses’. Niet alleen kan zo een kwalitatieve programmatische toevoeging worden gedaan voor de huidige en nieuwe bewoners maar wordt met de extra kopbebouwing ook een nieuw gezicht van de flats naar de stad gemaakt. Daarnaast kunnen met deze toegevoegde ‘boekensteunen’ een aantal constructieve problemen worden opgelost.
In het sculpturale type wordt de toevoeging aan de bestaande flat in een materiaal uitgevoerd, dit vertrekt het sculpturale karakter van op en aanbouw. In het hoftype waar de Lighthouses als losse elementen op het dak zijn geplaatst, is dit gegeven benadrukt door per lighthouse een materiaal te kiezen.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Woonbedrijf Ieder1
Jaar: 2008
Project: haalbaarheidsstudie
In samenwerking met: Vlasblom Projectontwikkeling en Ingenieursbureau Wassenaar
Projectgegevens
Opdrachtgever: Woonbedrijf Ieder1
Jaar: 2008
Project: haalbaarheidsstudie
In samenwerking met: Vlasblom Projectontwikkeling en Ingenieursbureau Wassenaar
Herontwikkeling Prozeeterrein te Utrecht
0813PDF_Prozeeterrein.pdf
Het Prozeeterrein te Utrecht is gelegen aan de Vaartsche Rijn en maakt onderdeel uit van een bedrijvenzone die geleidelijk tot een woongebied zal worden getransformeerd. Ten noorden van het gebied is reeds een groenvoorziening voor de buurt gerealiseerd.
De bestaande fabriekshal en loodsen maakten deel uit van de draadstaalfabriek van Neerlandia (1875). De naam Prozee verwijst naar de huidige eigenaar van het terrein. De grote fabriekshal verkeert in een slechte staat. Behoudens het voorgebouw aan het water, staan voornamelijk de metselwerk buitengevels van de hal en de schoorsteen nog overeind.
De fabriekshal zal, op de gevels en het voorgebouw na, grotendeels worden gesloopt. In het voorgebouw is ruimte voor een horecagelegenheid en bedrijfsruimten. Het programma bestaat uit grondgebonden woningen en appartementen.
In een eerste verkavelingstudie is door DAAD nog onderzocht met welke verkaveling het beste kan worden ingespeeld op de bestaande karakteristieken van de fabriekshallen. In stedenbouwkundige randvoorwaarden is later vastgelegd om de bebouwingstroken haaks op het water te plaatsen. Hierbij wordt de bestaande hal ingekort om de strook bestaande woningen aan de oostzijde van het terrein in een nieuw bouwblok op te kunnen nemen.
0813PDF_Prozeeterrein.pdf
Het Prozeeterrein te Utrecht is gelegen aan de Vaartsche Rijn en maakt onderdeel uit van een bedrijvenzone die geleidelijk tot een woongebied zal worden getransformeerd. Ten noorden van het gebied is reeds een groenvoorziening voor de buurt gerealiseerd.
De bestaande fabriekshal en loodsen maakten deel uit van de draadstaalfabriek van Neerlandia (1875). De naam Prozee verwijst naar de huidige eigenaar van het terrein. De grote fabriekshal verkeert in een slechte staat. Behoudens het voorgebouw aan het water, staan voornamelijk de metselwerk buitengevels van de hal en de schoorsteen nog overeind.
De fabriekshal zal, op de gevels en het voorgebouw na, grotendeels worden gesloopt. In het voorgebouw is ruimte voor een horecagelegenheid en bedrijfsruimten. Het programma bestaat uit grondgebonden woningen en appartementen.
In een eerste verkavelingstudie is door DAAD nog onderzocht met welke verkaveling het beste kan worden ingespeeld op de bestaande karakteristieken van de fabriekshallen. In stedenbouwkundige randvoorwaarden is later vastgelegd om de bebouwingstroken haaks op het water te plaatsen. Hierbij wordt de bestaande hal ingekort om de strook bestaande woningen aan de oostzijde van het terrein in een nieuw bouwblok op te kunnen nemen.
Door de combinatie van de strokenverkaveling en het appartementengebouw aan het water ontstaat een dichte woonomgeving voor de achtergelegen rijwoningen. Daarom wordt in het ontwerp van deze woningen meer ruimte opgenomen voor de entree van de woningen. De verbijzondering van het entreegebied van de woningen ontstaat door meer plastiek aan de gevel toe te voegen. De woningen hebben een relatief sobere gevel uitgevoerd in een lichtgrijs metselwerk.
De voorgestelde erkers, luifels en pergolaconstructies worden in stevige stalen profielen uitgevoerd die hiermee verwijzen naar het industriële verleden van de plek.
De appartementen zijn in een gesegmenteerd volume ondergebracht verbonden door loopbruggen. Hierdoor kunnen zij separaat van de rijwoningen worden ontwikkeld. Voor de fabriekshal zijn verscheidende indelingsvarianten voorgesteld waarbij de bestaande constructies en de contouren van het gebouw zoveel mogelijk behouden blijven. Naast het woonprogramma kunnen aan de geluidsbelaste gevel nog bedrijfsruimten worden toegevoegd.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Lithos Bouw en Ontwikkeling
Jaar: 2008
Project: Studie
De voorgestelde erkers, luifels en pergolaconstructies worden in stevige stalen profielen uitgevoerd die hiermee verwijzen naar het industriële verleden van de plek.
De appartementen zijn in een gesegmenteerd volume ondergebracht verbonden door loopbruggen. Hierdoor kunnen zij separaat van de rijwoningen worden ontwikkeld. Voor de fabriekshal zijn verscheidende indelingsvarianten voorgesteld waarbij de bestaande constructies en de contouren van het gebouw zoveel mogelijk behouden blijven. Naast het woonprogramma kunnen aan de geluidsbelaste gevel nog bedrijfsruimten worden toegevoegd.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Lithos Bouw en Ontwikkeling
Jaar: 2008
Project: Studie
Silo Adfo Movere te Groningen
De graansilo staat als een stoer object vrij in de ruimte aan de kop van de Meeuwen. De vorm en de aard van het gebouw, samen met het de vrije ruimte rondom en de ligging aan het water maken het ensemble tot een plek met een sterke attentiewaarde.
Het gebouw heeft een gesloten karakter. Van het dynamische en veelzijdige gebruik aan de binnenzijde, horeca en bureau voor marketing en communicatie, is nu niet veel te zien.
We hebben diverse transformaties en toevoegingen onderzocht om het gebouw meer met haar omgeving te laten communiceren.
Het lunchcafé op de begane grond zou een terras moeten krijgen zodat bij zomerdag het gebruik zich naar buiten kan verplaatsen. Met het terras wordt ook de functie meer zichtbaar en wordt het uitnodigend karakter vergroot. Belangrijk is dat het gebouw zich als een autonoom object op het plein blijft manifesteren.
De graansilo staat als een stoer object vrij in de ruimte aan de kop van de Meeuwen. De vorm en de aard van het gebouw, samen met het de vrije ruimte rondom en de ligging aan het water maken het ensemble tot een plek met een sterke attentiewaarde.
Het gebouw heeft een gesloten karakter. Van het dynamische en veelzijdige gebruik aan de binnenzijde, horeca en bureau voor marketing en communicatie, is nu niet veel te zien.
We hebben diverse transformaties en toevoegingen onderzocht om het gebouw meer met haar omgeving te laten communiceren.
Het lunchcafé op de begane grond zou een terras moeten krijgen zodat bij zomerdag het gebruik zich naar buiten kan verplaatsen. Met het terras wordt ook de functie meer zichtbaar en wordt het uitnodigend karakter vergroot. Belangrijk is dat het gebouw zich als een autonoom object op het plein blijft manifesteren.
Daarnaast zouden de grotendeels gesloten gevels veel (tijdelijke) toevoegingen/veranderingen kunnen hebben, zonder dat het gebouw zijn karakteristieke vorm en herkenbaarheid verliest. Sterker nog: incidentele veranderingen op of aan de gevel, op het dak of het plein kunnen een versterking van het krachtige object opleveren. Bovendien zou hiermee (op termijn) ook de bepalende karakteristieke component van te gebouw: de silostructuur meer zichtbaar kunnen worden gemaakt.
Wij denken hierbij aan zeer diverse uitingen, soms bescheiden van aard en omvang, soms groots en brutaal. Aan manifestaties op het plein waarbij het gebouw als decor fungeert, aan aankondigingen van nieuwe projecten of producten, exposities, oefeningen van studenten kunst- en bouwkundeacademies, etc.
Wij denken hierbij aan zeer diverse uitingen, soms bescheiden van aard en omvang, soms groots en brutaal. Aan manifestaties op het plein waarbij het gebouw als decor fungeert, aan aankondigingen van nieuwe projecten of producten, exposities, oefeningen van studenten kunst- en bouwkundeacademies, etc.
Hoewel de uitingen tijdelijk van aard zijn, kunnen bepaalde onderdelen ervan permanent aangebracht worden waarmee de openbare ruimte rond het gebouw verlevendigt en rijker wordt en nieuwe initiatieven steeds kunnen voortborduren op voorgaande. Te denken valt hierbij aan verlichting in de bestrating of op het gebouw, bevestiging van constructieve voorzieningen, sparingen in de gevels, of terrassen/platforms. Ter illustratie van de enorme veelheid aan mogelijkheden die dit gebouw in zijn omgeving biedt hebben wij een serie fictieve opdrachtgevers en hun projecten in beeld gebracht.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Hent Hamming
Jaar: 2007
Project: haalbaarheidsstudie
Projectgegevens
Opdrachtgever: Hent Hamming
Jaar: 2007
Project: haalbaarheidsstudie
Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen te Groningen
0720PDF_faculteit ruimtelijke wetenschapen.pdf
DAAD heeft de besloten competitie voor de herinrichting van de Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen gewonnen.
Concept
Het was de opgave identiteit te geven aan een nieuw te huisvesten faculteit in een doorsnee kantoorgebouw. Wij hebben ons geconcentreerd op de verbindingsruimtes tussen de hoofdentree van het gebouw, de werkruimtes van de verschillende clusters en de verbindingen tussen de clusters onderling. De gevraagde werkruimtes zijn zo optimaal mogelijk verdeeld om maximale ruimte over te houden voor deze verbindingen. Het is meer dan een gang, het is een ontmoetingsruimte, een werkplek en het gezicht van de faculteit. Een aantal middelen zijn ingezet om deze ruimte vorm te geven. Door het meanderen van de gangen en het creëren van nieuwe verbindingen tussen de verdiepingen ontstaat een continue sculpturale route. Er ontstaan ritmes, lange gangen worden verlevendigd, facilitaire voorzieningen worden integraal in de behandeling van wanden mee ontworpen, en nieuwe verbanden worden tussen de clusters geschapen. Het idee van een continue ruimte wordt nog versterkt door het materialen- en kleurgebruik. Waar mogelijk is daglicht in de gangen gebracht door de ‘gang te verbreden naar de gevel'. Alle kantoorvertrekken hebben een matglazen entreedeur, hierdoor komt meer licht in de gang. Zo kan de gang een echte verblijfsruimte worden.
0720PDF_faculteit ruimtelijke wetenschapen.pdf
DAAD heeft de besloten competitie voor de herinrichting van de Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen gewonnen.
Concept
Het was de opgave identiteit te geven aan een nieuw te huisvesten faculteit in een doorsnee kantoorgebouw. Wij hebben ons geconcentreerd op de verbindingsruimtes tussen de hoofdentree van het gebouw, de werkruimtes van de verschillende clusters en de verbindingen tussen de clusters onderling. De gevraagde werkruimtes zijn zo optimaal mogelijk verdeeld om maximale ruimte over te houden voor deze verbindingen. Het is meer dan een gang, het is een ontmoetingsruimte, een werkplek en het gezicht van de faculteit. Een aantal middelen zijn ingezet om deze ruimte vorm te geven. Door het meanderen van de gangen en het creëren van nieuwe verbindingen tussen de verdiepingen ontstaat een continue sculpturale route. Er ontstaan ritmes, lange gangen worden verlevendigd, facilitaire voorzieningen worden integraal in de behandeling van wanden mee ontworpen, en nieuwe verbanden worden tussen de clusters geschapen. Het idee van een continue ruimte wordt nog versterkt door het materialen- en kleurgebruik. Waar mogelijk is daglicht in de gangen gebracht door de ‘gang te verbreden naar de gevel'. Alle kantoorvertrekken hebben een matglazen entreedeur, hierdoor komt meer licht in de gang. Zo kan de gang een echte verblijfsruimte worden.
De nieuwe verbindingen tussen de verdiepingen staan een betere verdeling van de programmatische clusters in het gebouw toe. Afdelingen en vakgroepen kunnen op verschillende verdiepingen geplaatst worden en toch korte loopverbindingen hebben. Ook bij toekomstige herindelingen zullen deze ‘kortsluitingen’ hun nut bewijzen.
Materiaal
Om de continue verbindingsruimte tussen de entree en de individuele kantoren te versterken wordt voor wand, vloer, plafond en deuren een samenhangend kleur- en materiaalpallet gekozen.
Materialen voor wand, vloer en plafond worden op een aantal plekken op ‘oneigenlijke’ wijze gebruikt; vloer wordt wand, wand wordt plafond. Op deze wijze wordt het idee van de continue ruimte versterkt en kunnen elementen als bankjes, kasten in het zelfde materiaal worden uitgevoerd als de wand waar ze onderdeel van uitmaken.
Entree
De entree is het gezicht van de faculteit. Hier breekt het interieur naar buiten. Vanuit de entreehal wordt een loper uitgelegd naar de straat, de kleur van de bestrating buiten en de vloerbedekking binnen zijn nagenoeg gelijk. Het plafond van de hal en de zijwanden en de luifel worden in een zelfde kleur en materiaal gemaakt, in de zijwand zijn nissen gespaard voor zitplekken.
De entree pui zelf is transparant, Een brede glaswand verbindt de twee gebouwen. De entreehal wordt zowel door de Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen als het Universitair Onderwijscentrum Groningen gebruikt.
Materiaal
Om de continue verbindingsruimte tussen de entree en de individuele kantoren te versterken wordt voor wand, vloer, plafond en deuren een samenhangend kleur- en materiaalpallet gekozen.
Materialen voor wand, vloer en plafond worden op een aantal plekken op ‘oneigenlijke’ wijze gebruikt; vloer wordt wand, wand wordt plafond. Op deze wijze wordt het idee van de continue ruimte versterkt en kunnen elementen als bankjes, kasten in het zelfde materiaal worden uitgevoerd als de wand waar ze onderdeel van uitmaken.
Entree
De entree is het gezicht van de faculteit. Hier breekt het interieur naar buiten. Vanuit de entreehal wordt een loper uitgelegd naar de straat, de kleur van de bestrating buiten en de vloerbedekking binnen zijn nagenoeg gelijk. Het plafond van de hal en de zijwanden en de luifel worden in een zelfde kleur en materiaal gemaakt, in de zijwand zijn nissen gespaard voor zitplekken.
De entree pui zelf is transparant, Een brede glaswand verbindt de twee gebouwen. De entreehal wordt zowel door de Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen als het Universitair Onderwijscentrum Groningen gebruikt.
Mogelijkheden van hergebruik in het Van Heek complex te Enschede
0736PDF_studie hergebruik Van Heek Enschede.pdf
In 2007 is een ingrijpend stedenbouwkundig programma opgesteld voor het gebied tussen de Lage Bothofstraat en het spoor. De voormalige gebouwen van de textielfabriek Van Heek maken deel uit van deze ontwikkelingen. Het stedenbouwkundig plan voor de Lage Bothof gaat uit van het volgende programma: 200 appartementen, 50 grondgebonden woningen, 10.000 m2. commerciële ruimte en ca. 560 parkeerplaatsen. Dit programma is gebaseerd op volledige nieuwbouw op de gehele locatie zonder inpassing van de bestaande gebouwen.
Omdat het hier gaat om de laatste gebouwen van de voormalige textielfabriek is besloten om de twee best bewaarde gebouwen, gebouw 1a en weverij 108, voor hergebruik te onderzoeken. Enerzijds om inzichtelijk te maken wat de rol van deze gebouwen is geweest binnen het Van Heek complex. Anderzijds om te onderzoeken of deze gebouwen geschikt zijn om nieuwe programma's te huisvesten. Hoewel de gebouwen momenteel geen monumentenstatus bezitten is de historische betekenis van de gebouwen van Van Heek, destijds de grootste textielfabriek in Enschede, evident.
Er liggen nu kansen om een deel van de geschiedenis voor deze plek te bewaren en nieuwe ontwikkelingen te laten hechten in dit deel van de stad, door de reeds bestaande verbondenheid met de buurt.
Het onderzoek naar de mogelijkheden van de bestaande gebouwen kan om die reden ook niet op zich zelf beschouwd worden. De betekenis van het hergebruik zal in sterke mate gestuurd worden door de inpassing van de gebouwen in het totale stedenbouwkundig plan.
0736PDF_studie hergebruik Van Heek Enschede.pdf
In 2007 is een ingrijpend stedenbouwkundig programma opgesteld voor het gebied tussen de Lage Bothofstraat en het spoor. De voormalige gebouwen van de textielfabriek Van Heek maken deel uit van deze ontwikkelingen. Het stedenbouwkundig plan voor de Lage Bothof gaat uit van het volgende programma: 200 appartementen, 50 grondgebonden woningen, 10.000 m2. commerciële ruimte en ca. 560 parkeerplaatsen. Dit programma is gebaseerd op volledige nieuwbouw op de gehele locatie zonder inpassing van de bestaande gebouwen.
Omdat het hier gaat om de laatste gebouwen van de voormalige textielfabriek is besloten om de twee best bewaarde gebouwen, gebouw 1a en weverij 108, voor hergebruik te onderzoeken. Enerzijds om inzichtelijk te maken wat de rol van deze gebouwen is geweest binnen het Van Heek complex. Anderzijds om te onderzoeken of deze gebouwen geschikt zijn om nieuwe programma's te huisvesten. Hoewel de gebouwen momenteel geen monumentenstatus bezitten is de historische betekenis van de gebouwen van Van Heek, destijds de grootste textielfabriek in Enschede, evident.
Er liggen nu kansen om een deel van de geschiedenis voor deze plek te bewaren en nieuwe ontwikkelingen te laten hechten in dit deel van de stad, door de reeds bestaande verbondenheid met de buurt.
Het onderzoek naar de mogelijkheden van de bestaande gebouwen kan om die reden ook niet op zich zelf beschouwd worden. De betekenis van het hergebruik zal in sterke mate gestuurd worden door de inpassing van de gebouwen in het totale stedenbouwkundig plan.
Om de complexe samenhang in zeer korte tijd te verduidelijken zijn er gelijktijdig verschillende sporen bewandeld. Er is een onderzoek uitgevoerd om de historische waarde van de gebouwen te kunnen bepalen. In een eerste aanzet zijn programma's benoemd die zouden kunnen aansluiten bij de gebouwen en de buurt. Vervolgens is door middel van twee modellen onderzocht hoe geschikt de gebouwen zijn voor het huisvesten van een selectie van deze programma’s. Het eerste model waarbij de bouwkundige ingrepen minimaal zijn en zoveel mogelijk plaatsvinden binnen de schil van het gebouw. In het tweede model zijn de ingrepen intensiever en leiden ook tot een uitbreiding van het programma buiten de schil van het gebouw, waardoor of het programma en/of de kwaliteit kan worden geoptimaliseerd. Omdat er een gespannen verhouding bestaat tussen het maximale stedenbouwkundige programma en het behoud van de gebouwen is een derde reeks toegevoegd, om te illustreren hoe de modellen van hergebruik kunnen worden ingepast in de nieuwe stedenbouwkundige ontwikkelingen.
Deze studie illustreert hoe het inpassen van de modellen kan bijdragen aan het formuleren van stedenbouwkundige randvoorwaarden die meer recht doen aan de huidige situatie. Vanuit het behoud krijgt men beter zicht op de aanwezige (sluimerende) kwaliteiten van de locatie die in een compleet nieuw stedenbouwkundig plan snel uit het zichtveld verdwijnen.
Projectgegevens
Opdrachtgever : De Woonplaats
Studie afgerond : januari 2008
Deze studie illustreert hoe het inpassen van de modellen kan bijdragen aan het formuleren van stedenbouwkundige randvoorwaarden die meer recht doen aan de huidige situatie. Vanuit het behoud krijgt men beter zicht op de aanwezige (sluimerende) kwaliteiten van de locatie die in een compleet nieuw stedenbouwkundig plan snel uit het zichtveld verdwijnen.
Projectgegevens
Opdrachtgever : De Woonplaats
Studie afgerond : januari 2008
Woonboerderij te Niehoeve
0532PDF_Woonboerderij Niehove.pdf
In een voormalige boerderij in Middag Humsterland, op de terp van Frytum, is een woning ondergebracht. Het is een exemplarisch voorbeeld van nieuwe gebruik van een monumentale erfenis uit een agrarisch verleden. Van boerderijen als deze zullen er de komende twintig jaar nog duizenden vrijkomen. Transformatie tot bedrijfsgebouw, woning of een combinatie van beide kan een van de antwoorden leveren op het krimpvraagstuk.
De oude kop-hals-romp-boerderij is in de loop van de geschiedenis al vaker op pragmatische wijze verbouwd. Hoewel dit aan de buitenzijde niet direct zichtbaar is heeft dit in het interieur tot soms wonderlijke ontmoetingen van functies, ruimten en volumes geleid. Zo loopt de ‘hals’ door tot in de ‘romp’ (schuur) en is het aanzienlijke hoogteverschil van de terp in de gebouwen beleefbaar. Een lange, rechte route verbindt alle bouwdelen van de achtergevel van schuur tot voorhuis.
0532PDF_Woonboerderij Niehove.pdf
In een voormalige boerderij in Middag Humsterland, op de terp van Frytum, is een woning ondergebracht. Het is een exemplarisch voorbeeld van nieuwe gebruik van een monumentale erfenis uit een agrarisch verleden. Van boerderijen als deze zullen er de komende twintig jaar nog duizenden vrijkomen. Transformatie tot bedrijfsgebouw, woning of een combinatie van beide kan een van de antwoorden leveren op het krimpvraagstuk.
De oude kop-hals-romp-boerderij is in de loop van de geschiedenis al vaker op pragmatische wijze verbouwd. Hoewel dit aan de buitenzijde niet direct zichtbaar is heeft dit in het interieur tot soms wonderlijke ontmoetingen van functies, ruimten en volumes geleid. Zo loopt de ‘hals’ door tot in de ‘romp’ (schuur) en is het aanzienlijke hoogteverschil van de terp in de gebouwen beleefbaar. Een lange, rechte route verbindt alle bouwdelen van de achtergevel van schuur tot voorhuis.
De verbouw van het voorhuis en uitbreiding in de schuur met een keuken, patio, badkamers en slaapvertrekken werd in 2006 opgeleverd. De uitbreidingen van de woning in de schuur zijn amorf van karakter en borduren zo voort op de verbouwgeschiedenis van de boerderij.
Het idee van de boerderijschuur als grote paraplu waaronder losse, nieuwe volumes als meubels in de ruimte is een ontwerpconcept dat niet alleen ruimtelijk bijzondere kwaliteiten oplevert, maar ook bouwfysisch en in het gebruik buitengewoon goed past bij nieuwe gebruiksvormen van bestaande schuren.
De gehele schuur isoleren zou een situatie opleveren waarin de kap niet meer kan ventileren en een beetje bewegen (zoals een schuur doet), de draagconstructie ingepakt is en er een enorm volume warm gestookt zou moeten worden. Als interieurelementen zijn losse volumes onder kap eenvoudiger te maken, bouwfysisch te optimaliseren en bovendien laten zij de kap intact.
Het klimaat in de niet verwarmde ‘tussenruimte’ is zodanig dat hier het overgrote deel van het jaar allerlei onderdelen van het woonprogramma een plek zullen vinden.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Enno Zuidema
Oplevering: 2006
BVO: 140 m2
Het idee van de boerderijschuur als grote paraplu waaronder losse, nieuwe volumes als meubels in de ruimte is een ontwerpconcept dat niet alleen ruimtelijk bijzondere kwaliteiten oplevert, maar ook bouwfysisch en in het gebruik buitengewoon goed past bij nieuwe gebruiksvormen van bestaande schuren.
De gehele schuur isoleren zou een situatie opleveren waarin de kap niet meer kan ventileren en een beetje bewegen (zoals een schuur doet), de draagconstructie ingepakt is en er een enorm volume warm gestookt zou moeten worden. Als interieurelementen zijn losse volumes onder kap eenvoudiger te maken, bouwfysisch te optimaliseren en bovendien laten zij de kap intact.
Het klimaat in de niet verwarmde ‘tussenruimte’ is zodanig dat hier het overgrote deel van het jaar allerlei onderdelen van het woonprogramma een plek zullen vinden.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Enno Zuidema
Oplevering: 2006
BVO: 140 m2
Boerderij Veenhuizen verbouwd tot woning
0331PDF_wildeman.pdf
Een sobere en redelijk gave naoorlogse boerderij aan de rand van het Fochteloërveen is ingrijpend getransformeerd. Enkele woonfuncties zijn van het kleine voorhuis verplaatst naar een nieuw gebouwd doosvolume in de schuur. Deze ruimtes zijn toegankelijk via een gang en onderling langs de gevel verbonden. De kleine stalvensters zijn vergroot tot een serie smalle deuren waarmee elke ruimte een directe verbinding met het erf heeft.
Het voorhuis is rigoureus verbouwd waarbij recentelijk toegevoegde storende elementen (zoals dakkapellen) zijn verwijderd, kozijnen zijn vervangen door kloeke nieuwe. Ruimtelijk is het voorhuis een grote leef-, speel- en werkruimte geworden.
Projectgegevens
Opdrachtgever : dhr. Wildeman
Oplevering : 2006
BVO : 145m2
0331PDF_wildeman.pdf
Een sobere en redelijk gave naoorlogse boerderij aan de rand van het Fochteloërveen is ingrijpend getransformeerd. Enkele woonfuncties zijn van het kleine voorhuis verplaatst naar een nieuw gebouwd doosvolume in de schuur. Deze ruimtes zijn toegankelijk via een gang en onderling langs de gevel verbonden. De kleine stalvensters zijn vergroot tot een serie smalle deuren waarmee elke ruimte een directe verbinding met het erf heeft.
Het voorhuis is rigoureus verbouwd waarbij recentelijk toegevoegde storende elementen (zoals dakkapellen) zijn verwijderd, kozijnen zijn vervangen door kloeke nieuwe. Ruimtelijk is het voorhuis een grote leef-, speel- en werkruimte geworden.
Projectgegevens
Opdrachtgever : dhr. Wildeman
Oplevering : 2006
BVO : 145m2
Studie stookhokken in Drenthe
0530PDF_stookhokken.pdf
Op 14 maart 2006 werd de brochure 'Stookhok steevast!' gepresenteerd. Deze brochure is een vervolg op de inventarisatie van stookhokken in Drenthe en het boek 'Rooksignalen van het boerenerf'. De brochure geeft bouwtechnische en architectonische handreikingen bij herbestemming van dit karakteristieke bouwwerk op het Drentse platteland.
0530PDF_Brochure stookhok.pdf
Projectgegevens
Opdrachtgever: Drents Plateau (www.drentsplateau.nl)
Jaar: 2005
0530PDF_stookhokken.pdf
Op 14 maart 2006 werd de brochure 'Stookhok steevast!' gepresenteerd. Deze brochure is een vervolg op de inventarisatie van stookhokken in Drenthe en het boek 'Rooksignalen van het boerenerf'. De brochure geeft bouwtechnische en architectonische handreikingen bij herbestemming van dit karakteristieke bouwwerk op het Drentse platteland.
0530PDF_Brochure stookhok.pdf
Projectgegevens
Opdrachtgever: Drents Plateau (www.drentsplateau.nl)
Jaar: 2005
Openbaar Ministerie, Assen
0027PDF_om assen.pdf
In 2000 kampte het Openbaar Ministerie in Assen met een fors ruimtegebrek en zocht een nieuw onderkomen in de nabijheid van de rechtbank aan de Brinkstraat. In opdracht van de Rijksgebouwendienst onderzocht DAAD de hergebruikmogelijkheden van een tegenover de rechtbank gelegen voormalige drukkerij.
Het sobere gebouw uit de jaren vijftig viel nauwelijks op in de gevelwand met winkels, woningen en een theater. Het bestond uit twee bouwlagen, had een breedte van 20 meter en was 30 meter diep. Alhoewel het vloeroppervlak feitelijk groot genoeg was om de 65 medewerkers van het OM te huisvesten, was er een probleem met daglicht en uitzicht. Slechts ondiepe stroken aan de voor– en achterzijde van het gebouw waren geschikt om er kantoorfuncties in onder te brengen, maar achter keek men uit op opslagruimte van belendende winkels en voor op de straat (privacy).
Het onderzoek van DAAD spitste zich toe op de vraag op welke manier een bij de oorspronkelijke opzet van het gebouw passende ruimtelijke indeling zou kunnen worden gevonden waarbij alle werkplekken voldoende daglicht en uitzicht zouden hebben. De oplossing volgde na bestudering van de structuur en de bouwgeschiedenis van het gebouw.
0027PDF_om assen.pdf
In 2000 kampte het Openbaar Ministerie in Assen met een fors ruimtegebrek en zocht een nieuw onderkomen in de nabijheid van de rechtbank aan de Brinkstraat. In opdracht van de Rijksgebouwendienst onderzocht DAAD de hergebruikmogelijkheden van een tegenover de rechtbank gelegen voormalige drukkerij.
Het sobere gebouw uit de jaren vijftig viel nauwelijks op in de gevelwand met winkels, woningen en een theater. Het bestond uit twee bouwlagen, had een breedte van 20 meter en was 30 meter diep. Alhoewel het vloeroppervlak feitelijk groot genoeg was om de 65 medewerkers van het OM te huisvesten, was er een probleem met daglicht en uitzicht. Slechts ondiepe stroken aan de voor– en achterzijde van het gebouw waren geschikt om er kantoorfuncties in onder te brengen, maar achter keek men uit op opslagruimte van belendende winkels en voor op de straat (privacy).
Het onderzoek van DAAD spitste zich toe op de vraag op welke manier een bij de oorspronkelijke opzet van het gebouw passende ruimtelijke indeling zou kunnen worden gevonden waarbij alle werkplekken voldoende daglicht en uitzicht zouden hebben. De oplossing volgde na bestudering van de structuur en de bouwgeschiedenis van het gebouw.
Het gebouw bestond uit twee delen. Het oudste deel met een breedte aan de straat van 14 meter had een zware, overgedimensioneerde kolommenstructuur. Later was de resterende zes meter tussen de drukkerij en het pand van de buren ingevuld. Het voorstel van DAAD begon met sloop van dit meest recente bouwdeel. Hiermee ontstond een ruimte van zes bij dertig meter die als tuin kan worden ingericht en waarop alle werkplekken georiënteerd kunnen worden. Op de wand tegenover de kantoorruimten is een kunstwerk van Pjotr van Oorschot aangebracht. Het gesloopte oppervlak kon nieuw worden teruggebouwd op het dak van de bewaarde structuur. Toen in de loop van het ontwerpproces het programma groeide van 65 naar 85 werkplekken kon zelfs een tweede nieuwbouwlaag worden toegevoegd.
De beide nieuwbouwlagen hebben aan de tuinzijde (zuid) een lamellengevel om de zon buiten te houden. Op de begane grond en de eerste verdieping zijn de aanwezige openingen in de voormalige binnenwand gebruikt om nieuwe vensteropeningen te maken. De 80 cm diepe negge is gebruikt om de plastiek van de gevel te versterken en met forse kalven in de kozijnen het daglicht diep de ruimten in te reflecteren.
De beide nieuwbouwlagen hebben aan de tuinzijde (zuid) een lamellengevel om de zon buiten te houden. Op de begane grond en de eerste verdieping zijn de aanwezige openingen in de voormalige binnenwand gebruikt om nieuwe vensteropeningen te maken. De 80 cm diepe negge is gebruikt om de plastiek van de gevel te versterken en met forse kalven in de kozijnen het daglicht diep de ruimten in te reflecteren.
De dynamiek binnen het OM vraagt om een ruimtelijke organisatie die in staat is eenvoudig in te spelen op nieuwe programma’s. In het plan is hier op verschillende manieren op ingespeeld. Met computervloeren door het hele gebouw en een vrij indeelbare kantoorzone aan de tuin zijn veranderingen in indelingen gemakkelijk te accommoderen. De verkeersruimten vormen de ruggengraat van het gebouw. Zij hebben een verblijfskwaliteit gekregen en zijn ruim bemeten zodat er ook andere functies een plek kunnen vinden. Op elke verdieping is het contact met de omgeving op een andere manier vormgegeven.
Het gebouw is rondom in metselwerk uitgevoerd, waarbij de tuin als buitenkamer van het OM is opgenomen. Kleine vensteropeningen in het metselwerk worden afgewisseld met bijzondere kozijnen op die plekken waar de verkeersruimte de buitengevel ontmoet. Met verschillende metselwerkverbanden en in het stucwerk van de tuinwanden is de hoogte van de bestaande drukkerij aangegeven.
Projectgegevens
Opdrachtgever: VROM Rijksgebouwendienst
Oplevering: 2002
BVO: 2.020 m2
Het gebouw is rondom in metselwerk uitgevoerd, waarbij de tuin als buitenkamer van het OM is opgenomen. Kleine vensteropeningen in het metselwerk worden afgewisseld met bijzondere kozijnen op die plekken waar de verkeersruimte de buitengevel ontmoet. Met verschillende metselwerkverbanden en in het stucwerk van de tuinwanden is de hoogte van de bestaande drukkerij aangegeven.
Projectgegevens
Opdrachtgever: VROM Rijksgebouwendienst
Oplevering: 2002
BVO: 2.020 m2
Haalbaarheidsstudie silo te Haaksbergen
0420PDF_silo haaksbergen.pdf
In opdracht van de provincie Overijssel heeft DAAD Architecten een studie verricht naar de hergebruikmogelijkheden van de CTA-silocomplex aan de Parallelweg in Haaksbergen.
Het gebouw, bestaande uit een deel laagbouw uit 1917 en de silo, gerealiseerd in 1957, is een karakteristiek gebouw voor Haaksbergen en is een van de vijf silocomplexen die in het kader van het Belvedereproject ‘Lege silo’s – nieuwe vulling’ worden onderzocht.
Het complex is samengesteld uit onderdelen uit verschillende tijden, die elk hun eigen verhaal kennen, hun eigen doel dienen en elkaar soms op gelukkige en soms op minder gelukkige wijze ontmoeten. Er is dan ook eerder sprake van een karakteristieke verzameling functioneel bepaalde elementen die op deze locatie op een specifieke wijze zijn samengevoegd, dan van een ontworpen complex waaraan een bepaalde ontwerpopvatting ten grondslag ligt. Er is niet een aspect te noemen, zoals een representatief gevelbeeld of de draagstructuur, dat domineert en de consequenties dicteert voor de andere onderdelen van het gebouw. Het heeft een pragmatisch complex opgeleverd dat flexibel genoeg is om ook nieuwe programma’s te accommoderen. Het is de kwaliteit van deze schijnbaar toevallige ontmoeting van onderdelen die wij als uitgangspunt hebben genomen om anno 2004 een nieuw hoofdstuk aan de geschiedenis van het complex toe te voegen.
Projectgegevens
Opdrachtgever : Provincie Overijssel
Jaar : 2004
BVO : 1.200 m2
0420PDF_silo haaksbergen.pdf
In opdracht van de provincie Overijssel heeft DAAD Architecten een studie verricht naar de hergebruikmogelijkheden van de CTA-silocomplex aan de Parallelweg in Haaksbergen.
Het gebouw, bestaande uit een deel laagbouw uit 1917 en de silo, gerealiseerd in 1957, is een karakteristiek gebouw voor Haaksbergen en is een van de vijf silocomplexen die in het kader van het Belvedereproject ‘Lege silo’s – nieuwe vulling’ worden onderzocht.
Het complex is samengesteld uit onderdelen uit verschillende tijden, die elk hun eigen verhaal kennen, hun eigen doel dienen en elkaar soms op gelukkige en soms op minder gelukkige wijze ontmoeten. Er is dan ook eerder sprake van een karakteristieke verzameling functioneel bepaalde elementen die op deze locatie op een specifieke wijze zijn samengevoegd, dan van een ontworpen complex waaraan een bepaalde ontwerpopvatting ten grondslag ligt. Er is niet een aspect te noemen, zoals een representatief gevelbeeld of de draagstructuur, dat domineert en de consequenties dicteert voor de andere onderdelen van het gebouw. Het heeft een pragmatisch complex opgeleverd dat flexibel genoeg is om ook nieuwe programma’s te accommoderen. Het is de kwaliteit van deze schijnbaar toevallige ontmoeting van onderdelen die wij als uitgangspunt hebben genomen om anno 2004 een nieuw hoofdstuk aan de geschiedenis van het complex toe te voegen.
Projectgegevens
Opdrachtgever : Provincie Overijssel
Jaar : 2004
BVO : 1.200 m2
Nieuw kantoor DAAD Architecten te Beilen
0299PDF_nieuw kantoor DAAD.pdf
In mei 2003 is DAAD verhuisd. In een pand langs het spoor in Beilen heeft DAAD een nieuw onderkomen gevonden. Het gebouw van de voormalige landbouw coöperatie is verbouwd tot een ruim en geriefelijk architectenbureau.
Behalve aan het architectenbureau biedt het gebouw ruimte aan nieuwe activiteiten rond kunst, architectuur en landschap.
Projectgegevens
Opdrachtgever : DAAD Architecten BV
Oplevering : 2003
BVO : 1.500 m2
0299PDF_nieuw kantoor DAAD.pdf
In mei 2003 is DAAD verhuisd. In een pand langs het spoor in Beilen heeft DAAD een nieuw onderkomen gevonden. Het gebouw van de voormalige landbouw coöperatie is verbouwd tot een ruim en geriefelijk architectenbureau.
Behalve aan het architectenbureau biedt het gebouw ruimte aan nieuwe activiteiten rond kunst, architectuur en landschap.
Projectgegevens
Opdrachtgever : DAAD Architecten BV
Oplevering : 2003
BVO : 1.500 m2
Faculteit Theologie RUG te Groningen
0003PDF_RUG Faculteit.pdf
Zoals beschreven in de ‘Bouwhistorische aantekening’ (RGD, juni 1989) is het complex in de loop der jaren vele malen aangepast, zijn er delen bijgebouwd, gesloopt en (deels met afkomend materiaal) vervangen. Soms is hierbij gekozen voor een eigentijdse vormentaal, in andere gevallen voor aansluiting op voorgaande periodes.
De complexiteit van het geheel was in 1917 al dermate groot dat de toenmalig Adjunct-Rijksbouwmeester W.C. Kam schreef:
‘Door het ontbreken van een geheel en van den grondvorm van het oorspronkelijke gebouw zijn uit een architectonisch oogpunt alleen onderdelen uit verschillende tijdperken van belang. Daarmee moest bij de restauratie rekening worden gehouden, omdat van het terugbrengen in den oorspronkelijken toestand geen sprake kon zijn.’
In de lijn van dit citaat is ook nu naar het complex gekeken. Het voorliggende plan gaat niet uit van een zoektocht naar ‘de’ oorspronkelijke toestand, maar probeert de onderdelen, ontstaan in verschillende perioden, elk hun eigen verhaal te laten vertellen. Dit heeft niet alleen consequenties voor kleur- en materiaalgebruik, maar ook voor installatietechniek, bouwfysica en verlichting. In plaats van een systeem dat voor het gehele complex zou kunnen gelden is gezocht naar specifieke oplossingen per gebouwdeel of zelfs per ruimte.
0003PDF_RUG Faculteit.pdf
Zoals beschreven in de ‘Bouwhistorische aantekening’ (RGD, juni 1989) is het complex in de loop der jaren vele malen aangepast, zijn er delen bijgebouwd, gesloopt en (deels met afkomend materiaal) vervangen. Soms is hierbij gekozen voor een eigentijdse vormentaal, in andere gevallen voor aansluiting op voorgaande periodes.
De complexiteit van het geheel was in 1917 al dermate groot dat de toenmalig Adjunct-Rijksbouwmeester W.C. Kam schreef:
‘Door het ontbreken van een geheel en van den grondvorm van het oorspronkelijke gebouw zijn uit een architectonisch oogpunt alleen onderdelen uit verschillende tijdperken van belang. Daarmee moest bij de restauratie rekening worden gehouden, omdat van het terugbrengen in den oorspronkelijken toestand geen sprake kon zijn.’
In de lijn van dit citaat is ook nu naar het complex gekeken. Het voorliggende plan gaat niet uit van een zoektocht naar ‘de’ oorspronkelijke toestand, maar probeert de onderdelen, ontstaan in verschillende perioden, elk hun eigen verhaal te laten vertellen. Dit heeft niet alleen consequenties voor kleur- en materiaalgebruik, maar ook voor installatietechniek, bouwfysica en verlichting. In plaats van een systeem dat voor het gehele complex zou kunnen gelden is gezocht naar specifieke oplossingen per gebouwdeel of zelfs per ruimte.
Om te ontdekken welke de kwaliteiten van de verschillende ruimten zijn hebben we deze afzonderlijk geanalyseerd op ruimtelijke kwaliteit, typische te behouden elementen, kleur en materiaal, vloeroppervlak, hoogte, lichtinval, geluid, verbinding met andere ruimten, relatie met buiten en ontsluiting. Vervolgens zijn passend bij de ruimte inrichtingsvoorstellen getekend. Voor het middeleeuwse deel en de bouwdelen van na 1754 (zittingszaal, raadskamer, etc.) betekent dit dat voornamelijk kantoor- en onderwijsfuncties zijn ondergebracht in de bestaande ruimten waarbij de sfeer van de verschillende ruimten het uitgangspunt vormt. De gedeelten van het complex van na 1913 van de hand van W.C. Metzelaar krijgen ook een onderwijs- en kantoorfunctie, maar kunnen gezien de aanwezigheid van gipsplafonds, grote vlakken enkelglas, stucwerk in slechte staat, veel schilderwerk op deuren en kozijnen, relatief gemakkelijk technisch worden opgewaardeerd (dubbelglas, luchtbehandeling, algemene verlichting).
Het archiefgebouw krijgt met de bibliotheekfunctie een geheel eigen gezicht binnen het complex. Het samenstel van stalen kasten en vloeren wordt als een groot boekenmeubel in de ruimte opgevat. Op strategische plekken worden delen van de vloer verwijderd zodat vides ontstaan en er worden nieuwe daglichtopeningen in de zuidgevel gemaakt.
De nieuwbouw op het bestaande archiefgebouw vult het gat tussen de vleugel van 1913 en het Academiegebouw. Hier zijn kleine (1-persoons) kantoren en een grote onderwijsruimte ondergebracht. De nieuwe kantoren en de onderwijsruimte richten zich op de tuin. Met de nieuwe openingen in de zuidgevel van het archiefgebouw is dit de grootste verandering van het aanzicht van het complex. Met het amorfe volume, dat zal worden uitgevoerd in koper, worden verschillende onderdelen met elkaar verbonden. Vormgeving, materiaalgebruik en kleurstelling zijn eenvoudig, sober en eigentijds.
De restauratie/nieuwbouw van 2001 is niet een poging het gebouw definitief te vervolmaken, noch heeft het de ambitie de oorspronkelijke toestand te hervinden, maar is de volgende transformatie, nodig om het complex geschikt te maken voor de huisvesting van nieuwe functies, zoals door de geschiedenis al zo vele malen gebeurd is.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Rijksgebouwendienst
Oplevering: 2002
BVO: 3.800 m2
De nieuwbouw op het bestaande archiefgebouw vult het gat tussen de vleugel van 1913 en het Academiegebouw. Hier zijn kleine (1-persoons) kantoren en een grote onderwijsruimte ondergebracht. De nieuwe kantoren en de onderwijsruimte richten zich op de tuin. Met de nieuwe openingen in de zuidgevel van het archiefgebouw is dit de grootste verandering van het aanzicht van het complex. Met het amorfe volume, dat zal worden uitgevoerd in koper, worden verschillende onderdelen met elkaar verbonden. Vormgeving, materiaalgebruik en kleurstelling zijn eenvoudig, sober en eigentijds.
De restauratie/nieuwbouw van 2001 is niet een poging het gebouw definitief te vervolmaken, noch heeft het de ambitie de oorspronkelijke toestand te hervinden, maar is de volgende transformatie, nodig om het complex geschikt te maken voor de huisvesting van nieuwe functies, zoals door de geschiedenis al zo vele malen gebeurd is.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Rijksgebouwendienst
Oplevering: 2002
BVO: 3.800 m2
Transformatie melkfabriek te Exloo
0024PDF_melkfabriek exloo.pdf
Bij de panden van de voormalige melkfabriek lijkt het in eerste instantie niet voor de hand te liggen om aan hergebruik te denken. Het betreft geen monument en de architectonische of cultuurhistorische waarde van de panden is niet van dien aard dat hergebruik een noodzaak is. Bij één van de vorige ingrepen is het architectonisch meest waardevolle gedeelte aan de voorzijde al gesneuveld, het gespaarde deel is in matige technische staat. De bijbouwen aan de achterzijde zijn zeer ondiep en van slechte kwaliteit. Ook de stedenbouwkundige situering aan de rand van het dorp, enigszins verstopt in het groen aan de tuinzijde, is niet beeldbepalend te noemen. Het betreft echter een voor dit dorp (en vele andere Drentse dorpen) karakteristiek bouwwerk. Bezien vanuit dit historisch perspectief met een voorkeur voor 'transformatie' boven 'tabula rasa' zijn de mogelijkheden van behoud en hergebruik onderzocht. Een tweede argument voor hergebruik van de fabriek is te vinden in het volume van het hoofdgebouw waarvan de hoogte tot ca. 8m gaat. Niet alleen biedt het ruimte aan 7 ruime, hoge woningen, het hoofdgebouw is bovendien groter dan in een nieuwbouwsituatie met woningen op dezelfde plek wenselijk zou zijn. Een derde argument dat pleit voor hergebruik komt voort uit de problematiek van het duurzaam bouwen waarbij wordt gepleit voor intensiveren van het gebruik van bestaande gebouwen.
0024PDF_melkfabriek exloo.pdf
Bij de panden van de voormalige melkfabriek lijkt het in eerste instantie niet voor de hand te liggen om aan hergebruik te denken. Het betreft geen monument en de architectonische of cultuurhistorische waarde van de panden is niet van dien aard dat hergebruik een noodzaak is. Bij één van de vorige ingrepen is het architectonisch meest waardevolle gedeelte aan de voorzijde al gesneuveld, het gespaarde deel is in matige technische staat. De bijbouwen aan de achterzijde zijn zeer ondiep en van slechte kwaliteit. Ook de stedenbouwkundige situering aan de rand van het dorp, enigszins verstopt in het groen aan de tuinzijde, is niet beeldbepalend te noemen. Het betreft echter een voor dit dorp (en vele andere Drentse dorpen) karakteristiek bouwwerk. Bezien vanuit dit historisch perspectief met een voorkeur voor 'transformatie' boven 'tabula rasa' zijn de mogelijkheden van behoud en hergebruik onderzocht. Een tweede argument voor hergebruik van de fabriek is te vinden in het volume van het hoofdgebouw waarvan de hoogte tot ca. 8m gaat. Niet alleen biedt het ruimte aan 7 ruime, hoge woningen, het hoofdgebouw is bovendien groter dan in een nieuwbouwsituatie met woningen op dezelfde plek wenselijk zou zijn. Een derde argument dat pleit voor hergebruik komt voort uit de problematiek van het duurzaam bouwen waarbij wordt gepleit voor intensiveren van het gebruik van bestaande gebouwen.
Planvoorstel
Aan de achterzijde zou, na sloop van de bijgebouwen van de melkfabriek, nieuwbouw gepleegd kunnen worden. De doorsnede over het totale complex van noord naar zuid bestaat dan uit het 'zware' bakstenen hoofdgebouw van de fabriek aan de straat met 7 woningen, waarvan een gedeelte zelfs apart als bijvoorbeeld 'thuiswerkruimte' te ontsluiten is, een hofachtige tussenruimte waar vanuit de ontsluiting van de woningen plaatsvindt en aan de zuidzijde een 'licht' nieuwbouwvolume in twee verdiepingen met veel glas, terras gewijs aflopend naar de tuin. Het verschil in hoogte tussen het straat- en het tuinniveau is in deze doorsnede intensief gebruikt. De meest noordelijk gelegen woningen bevinden zich 1 verdieping lager dan het maaiveldniveau aan de straatzijde. Hiermee krijgen ook de onderste woningen in de fabriek voldoende daglicht, behouden de woningen op de belendende percelen vrij uitzicht aan de oostzijde en blijft het fabrieksgebouw het hoogste volume in de buurt. De terras gewijze opbouw van het blok levert ook ruime, begroeide dakterrassen op. Onder de nieuwbouw zijn, toegankelijk vanaf de Melkweg, bergingen en een parkeergarage voor de 15 appartementen gesitueerd. De toegang van het complex vindt vanaf de Fabrieksstraat via de 'hof' plaats. Vanuit deze ruimte lopen trappen naar beneden om de tuinwoningen en de garage te ontsluiten en een trap met lift om via galerij en bruggen over de hof de bovengelegen woningen te bereiken. De woningen variëren in grootte van 168m2. De woning aan de Fabriekstraat is bij een voorgaande sloop- en verbouwingreep aan het huidige hoofdgebouw vastgebouwd.
Aan de achterzijde zou, na sloop van de bijgebouwen van de melkfabriek, nieuwbouw gepleegd kunnen worden. De doorsnede over het totale complex van noord naar zuid bestaat dan uit het 'zware' bakstenen hoofdgebouw van de fabriek aan de straat met 7 woningen, waarvan een gedeelte zelfs apart als bijvoorbeeld 'thuiswerkruimte' te ontsluiten is, een hofachtige tussenruimte waar vanuit de ontsluiting van de woningen plaatsvindt en aan de zuidzijde een 'licht' nieuwbouwvolume in twee verdiepingen met veel glas, terras gewijs aflopend naar de tuin. Het verschil in hoogte tussen het straat- en het tuinniveau is in deze doorsnede intensief gebruikt. De meest noordelijk gelegen woningen bevinden zich 1 verdieping lager dan het maaiveldniveau aan de straatzijde. Hiermee krijgen ook de onderste woningen in de fabriek voldoende daglicht, behouden de woningen op de belendende percelen vrij uitzicht aan de oostzijde en blijft het fabrieksgebouw het hoogste volume in de buurt. De terras gewijze opbouw van het blok levert ook ruime, begroeide dakterrassen op. Onder de nieuwbouw zijn, toegankelijk vanaf de Melkweg, bergingen en een parkeergarage voor de 15 appartementen gesitueerd. De toegang van het complex vindt vanaf de Fabrieksstraat via de 'hof' plaats. Vanuit deze ruimte lopen trappen naar beneden om de tuinwoningen en de garage te ontsluiten en een trap met lift om via galerij en bruggen over de hof de bovengelegen woningen te bereiken. De woningen variëren in grootte van 168m2. De woning aan de Fabriekstraat is bij een voorgaande sloop- en verbouwingreep aan het huidige hoofdgebouw vastgebouwd.
Materialen
In het nieuwbouwdeel wordt gebruik gemaakt van bruingeel metselwerk gelijmd met stenen van grote afmetingen, houten puien en veel glas. Het bestaande gebouw wordt aan de straatzijde van de witte keimlaag ontdaan zodat de kleur van het mestelwerk weer zichtbaar wordt. Daar waar in de nieuwe ruimte organisatie gebruik gemaakt kan worden van bestaande vensteropeningen gebeurt dit; daar waar aanwezige openingen moeten worden dichtgezet wordt licht afwijkend metselwerk toegepast en daar waar nieuwe vensteropeningen gewenst zijn worden deze gezaagd in de wand. Bestaande sporen als lateien en reeds eerder vervangen metselwerk blijven als littekens aanwezig. Het gebouw als vertelling, gelaagd in betekenis en tijd.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Jager's slagerijen VOF
BVO: 3.200m2
Project: Studie
In het nieuwbouwdeel wordt gebruik gemaakt van bruingeel metselwerk gelijmd met stenen van grote afmetingen, houten puien en veel glas. Het bestaande gebouw wordt aan de straatzijde van de witte keimlaag ontdaan zodat de kleur van het mestelwerk weer zichtbaar wordt. Daar waar in de nieuwe ruimte organisatie gebruik gemaakt kan worden van bestaande vensteropeningen gebeurt dit; daar waar aanwezige openingen moeten worden dichtgezet wordt licht afwijkend metselwerk toegepast en daar waar nieuwe vensteropeningen gewenst zijn worden deze gezaagd in de wand. Bestaande sporen als lateien en reeds eerder vervangen metselwerk blijven als littekens aanwezig. Het gebouw als vertelling, gelaagd in betekenis en tijd.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Jager's slagerijen VOF
BVO: 3.200m2
Project: Studie
Noorderbad te Groningen
9501PDF_noorderbad.pdf
Het ‘Noorderbad’ is een voormalig, overdekt, openbaar zwembad dat in 1933 is gebouwd naar een ontwerp van de Groninger architect J.A. Boer.
Het gebouw, dat is opgetrokken in een expressionistische, kubistische bouwstijl, heeft een beschermende status als monument. Meest bijzondere ruimte is de zwemzaal welke is gesitueerd op de eerste verdieping.
De functionele opgave bestaat uit het transformeren van het zwembad tot een verzamelgebouw waarin nevenvestigingen van de Openbare Bibliotheek, het Kunstencentrum, de Stedelijke Muziekschool en een aantal verhuurbare kantoorruimtes zullen worden gehuisvest.
Het introduceren van een architectonische route die alle verschillende functies ontsluit en verbindt is het meest prominente ontwerpthema.
Stedenbouw en architectuur
Het beschikbare budget vraagt om een ruimtelijk plan, waarbij met minimale middelen een zo groot mogelijk effect wordt bereikt.
De bibliotheek vervult een centrale rol en is gesitueerd in de voormalige zwemzaal op de eerste verdieping: een mooie, dubbel hoge ruimte. Onder deze ruimte worden op de begane grond het Kunstencentrum en de Stedelijke Muziekschool gehuisvest, terwijl de kantoorruimtes een plaats krijgen in de voormalige nevenruimtes van het gebouw.
9501PDF_noorderbad.pdf
Het ‘Noorderbad’ is een voormalig, overdekt, openbaar zwembad dat in 1933 is gebouwd naar een ontwerp van de Groninger architect J.A. Boer.
Het gebouw, dat is opgetrokken in een expressionistische, kubistische bouwstijl, heeft een beschermende status als monument. Meest bijzondere ruimte is de zwemzaal welke is gesitueerd op de eerste verdieping.
De functionele opgave bestaat uit het transformeren van het zwembad tot een verzamelgebouw waarin nevenvestigingen van de Openbare Bibliotheek, het Kunstencentrum, de Stedelijke Muziekschool en een aantal verhuurbare kantoorruimtes zullen worden gehuisvest.
Het introduceren van een architectonische route die alle verschillende functies ontsluit en verbindt is het meest prominente ontwerpthema.
Stedenbouw en architectuur
Het beschikbare budget vraagt om een ruimtelijk plan, waarbij met minimale middelen een zo groot mogelijk effect wordt bereikt.
De bibliotheek vervult een centrale rol en is gesitueerd in de voormalige zwemzaal op de eerste verdieping: een mooie, dubbel hoge ruimte. Onder deze ruimte worden op de begane grond het Kunstencentrum en de Stedelijke Muziekschool gehuisvest, terwijl de kantoorruimtes een plaats krijgen in de voormalige nevenruimtes van het gebouw.
Een houten wand, welke zich uitstrekt over alle verdiepingen, is het eerste nieuwe architectonische element dat alle ruimtes met elkaar verbindt. Een hellingbaan langs deze houten wand ontsluit de bibliotheek en vormt de uitnodigende entree van deze functie. Tegelijkertijd wordt het publiek, dat zich langs deze route voortbeweegt, een dynamische factor in een relatief statische omgeving.
De ingrepen aan het exterieur van het gebouw beperken zich tot het plaatselijk slopen van storende toevoegingen van een latere datum en het introduceren van een aantal nieuwe functionele elementen (o.a. hellingbaan/entree). Deze elementen hebben een eigen vorm gekregen: onmiskenbaar eigentijds maar passend bij het gebouw.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Stichting Industrie- en Handelsgebouwen Groningen
Oplevering: 1999
BVO: 1.850m2
De ingrepen aan het exterieur van het gebouw beperken zich tot het plaatselijk slopen van storende toevoegingen van een latere datum en het introduceren van een aantal nieuwe functionele elementen (o.a. hellingbaan/entree). Deze elementen hebben een eigen vorm gekregen: onmiskenbaar eigentijds maar passend bij het gebouw.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Stichting Industrie- en Handelsgebouwen Groningen
Oplevering: 1999
BVO: 1.850m2
Prijsvraag EO Wijers
9715PDF_prijsvraag EO Wijers.pdf
'De ene helft van de stad is vast, de andere is geïmproviseerd en als de tijd van haar verblijf om is, wordt zij uit elkaar gehaald, gedemonteerd en meegenomen om overgeplaatst te worden naar de braakliggende terreinen van een andere halve stad.'
(Italo Calvino, De onzichtbare steden) 'Het lege programma' is buitengewoon verleidelijk van aard; een verleiding, die haar oorsprong vindt in de schijnbaar onmogelijke samenvoeging van twee tegenstrijdige begrippen.
Allereerst wordt gerefereerd aan een traditie van doelmatigheid en nuttigheid door het introduceren van een programma. Tegelijkertijd wordt het programma leeg verklaard, waarmee het territorium van het nutteloze, de kunst wordt betreden.
9715PDF_prijsvraag EO Wijers.pdf
'De ene helft van de stad is vast, de andere is geïmproviseerd en als de tijd van haar verblijf om is, wordt zij uit elkaar gehaald, gedemonteerd en meegenomen om overgeplaatst te worden naar de braakliggende terreinen van een andere halve stad.'
(Italo Calvino, De onzichtbare steden) 'Het lege programma' is buitengewoon verleidelijk van aard; een verleiding, die haar oorsprong vindt in de schijnbaar onmogelijke samenvoeging van twee tegenstrijdige begrippen.
Allereerst wordt gerefereerd aan een traditie van doelmatigheid en nuttigheid door het introduceren van een programma. Tegelijkertijd wordt het programma leeg verklaard, waarmee het territorium van het nutteloze, de kunst wordt betreden.
Het vooruitgangsdenken, dat de wereld voorstelt als beschikbaar materiaal ten dienste van de mens, wordt geconfronteerd met een dichtende wijze van denken. Het landschap van Dongeradeel is door de eeuwen heen nadrukkelijk door mensen geschreven en herschreven. Temidden van uitgestrekte weilanden en akkers wonen en werken mensen in kleine dorpen en grote boerderijen. Bomen vormen een beschermende huid rond deze bewoonde plekken.
De (bijna wrede) leegte verleent het landschap een adembenemende, poëtische kracht, die moet worden gekoesterd als de belangrijkste attractie van het gebied. Het bewaren van deze leegte is het algemene programma.
De (bijna wrede) leegte verleent het landschap een adembenemende, poëtische kracht, die moet worden gekoesterd als de belangrijkste attractie van het gebied. Het bewaren van deze leegte is het algemene programma.
Onder het zichtbare schrift van zijwegen, grindwegen, boerenwegen, vaak in het midden met een kam van gras tussen diepe wielsporen, verborgen onder stapels gekapt rijshout, nog duidelijk in het kapot gedroogde mos, loopt een ander schrift: de oude voetpaden.
Ze lopen van meer tot meer, van dal naar dal.
Soms slijten ze uit, worden heel duidelijk zichtbaar en grote bruggen van middeleeuwse stenen dragen hen over zwarte beken, soms raken zij verdoold over kale platte stenen, in moerasgebieden raak je ze gemakkelijk kwijt, zo ongemerkt dat ze er het ene ogenblik zijn, het andere niet. Er is een vervolg, er is altijd een vervolg, als je maar zoekt, deze paden zijn koppig, ze weten wat ze willen en aan kennis paren zij een aanzienlijke listigheid.(…)
Wie vormden het pad?(…) allen en niemand. Wij maken het te samen, ook jij, op een winderige dag, wanneer het vroeg of laat is op aarde: wij schrijven de paden, en de paden blijven bestaan, en de paden zijn verstandiger dan wij en weten al datgene wat wij zouden willen weten.
(Lars Gustafsson, De stille wereld voor Bach)
Projectgegevens
Opdrachtgever: EO Wijers Stichting
Jaar: 1998
Project: 5de prijsvraag 'Wie is er bang voor het lege programma?'
Ze lopen van meer tot meer, van dal naar dal.
Soms slijten ze uit, worden heel duidelijk zichtbaar en grote bruggen van middeleeuwse stenen dragen hen over zwarte beken, soms raken zij verdoold over kale platte stenen, in moerasgebieden raak je ze gemakkelijk kwijt, zo ongemerkt dat ze er het ene ogenblik zijn, het andere niet. Er is een vervolg, er is altijd een vervolg, als je maar zoekt, deze paden zijn koppig, ze weten wat ze willen en aan kennis paren zij een aanzienlijke listigheid.(…)
Wie vormden het pad?(…) allen en niemand. Wij maken het te samen, ook jij, op een winderige dag, wanneer het vroeg of laat is op aarde: wij schrijven de paden, en de paden blijven bestaan, en de paden zijn verstandiger dan wij en weten al datgene wat wij zouden willen weten.
(Lars Gustafsson, De stille wereld voor Bach)
Projectgegevens
Opdrachtgever: EO Wijers Stichting
Jaar: 1998
Project: 5de prijsvraag 'Wie is er bang voor het lege programma?'
Goudkantoor te Groningen
Het Goudkantoor is één van de meest belangrijke monumenten in het stadshart van Groningen. Na de Tweede Wereldoorlog is het gebouw in de zestiger jaren deel uit gaan maken van het stadhuiscomplex. Met de bouw van het Waagstraatproject is de context van het Goudkantoor opnieuw gewijzigd en is het gebouw als een object in de ruimte komen te staan. Slechts een hoge loggia, bestaande uit een staalconstructie en een glazen dak, herinnert aan de oorspronkelijke stedenbouwkundige context: een bouwblok.
De opdracht heeft bestaan uit het maken van een zuidgevel en het, in samenwerking met de gemeente Groningen, restaureren van de overige gevels.
Het Goudkantoor is één van de meest belangrijke monumenten in het stadshart van Groningen. Na de Tweede Wereldoorlog is het gebouw in de zestiger jaren deel uit gaan maken van het stadhuiscomplex. Met de bouw van het Waagstraatproject is de context van het Goudkantoor opnieuw gewijzigd en is het gebouw als een object in de ruimte komen te staan. Slechts een hoge loggia, bestaande uit een staalconstructie en een glazen dak, herinnert aan de oorspronkelijke stedenbouwkundige context: een bouwblok.
De opdracht heeft bestaan uit het maken van een zuidgevel en het, in samenwerking met de gemeente Groningen, restaureren van de overige gevels.
Stedenbouw en architectuur
De zuidgevel van het Goudkantoor onderscheidt zich in velerlei opzicht van de overige gevels.
In de eerste plaats is de positionering een afwijkende; het betreft de gevel waarop in vroegere tijden bebouwing heeft aangesloten. Dientengevolge is de zuidgevel van een veel recentere datum en zijn de toegepaste ornamenten ‘geleend’ van oudere gebouwen in de stad.
In het voorstel wordt de zuidgevel expliciet losgemaakt van de drie andere gevels door een abstracte uitsnede over twee verdiepingen aan te brengen die op een zomerdag geheel geopend kan worden (horecafunctie). Een permanente zonwering en borstwering van houten lamellen hangt als een gordijn in deze opening.
Bovendien is een zeer terughoudende kleurstelling gekozen die scherp contrasteert met de uitbundigheid van de andere gevels.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Gemeente Groningen
Oplevering: 1996
De zuidgevel van het Goudkantoor onderscheidt zich in velerlei opzicht van de overige gevels.
In de eerste plaats is de positionering een afwijkende; het betreft de gevel waarop in vroegere tijden bebouwing heeft aangesloten. Dientengevolge is de zuidgevel van een veel recentere datum en zijn de toegepaste ornamenten ‘geleend’ van oudere gebouwen in de stad.
In het voorstel wordt de zuidgevel expliciet losgemaakt van de drie andere gevels door een abstracte uitsnede over twee verdiepingen aan te brengen die op een zomerdag geheel geopend kan worden (horecafunctie). Een permanente zonwering en borstwering van houten lamellen hangt als een gordijn in deze opening.
Bovendien is een zeer terughoudende kleurstelling gekozen die scherp contrasteert met de uitbundigheid van de andere gevels.
Projectgegevens
Opdrachtgever: Gemeente Groningen
Oplevering: 1996
